Willem Henri WIjnkamp
Willem Henri Wijnkamp werd geboren op 5 maart 1897 als zoon van Henri Eduard Wilhelm Wijnkamp en Elisabeth Maria van der Lee. Zijn militaire carriere begon toen hij op 2 oktober 1916 als cadet voor het Wapen der Artillerie bij de Koninklijke Militaire Academie (KMA) werd overgeplaatst. Daarvoor was hij vrijwillig aspirant-vaandrig bij het 3e Regiment Vesting-Artillerie. Daarna werd hij op 19 mei 1917 bevorderd tot korporaal-titulair, op 9 juni 1917 tot korporaal, op 30 september 1918 tot sergeant en op 1 oktober 1919 tot vaandrig-titulair. Op 7 augustus 1920 werd hij benoemd tot tweede luitenant bij het 4e Regiment Veldartillerie. Op 5 januari 1922 trouwde hij in Soest met Berendina van der Wal. Vanwege een reorganisatie werd hij op 15 juni 1922 overgeplaatst bij het 8e Regiment Veldartillerie. Met ingang van 10 oktober 1922 werd hij aangesteld tot vlieger en ook als zodanig geplaatst bij de Luchtvaartafdeling. Op 25 maart 1923 werd zijn zoon Bob Wijnkamp in Utrecht geboren. Met ingang van 7 augustus 1924 werd hij benoemd tot eerste luitenant en op 1 mei 1930 werd hij benoemd tot instructeur. In de middag van 29 december 1929 moest Wijnkamp met de sergeant-waarnemer Van der Linden vanwege de mist tijdens hun vlucht van Schiphol naar Soesterberg een noodlanding maken op een weiland aan de Oudekerkerlaan nabij Ouderkerk aan de Amstel. Op 27 augustus 1934 vertrok Wijnkamp met een aantal collega's per trein naar de Deense hoofdstad Kopenhagen voor een bezoek aan de Tweede Internationale Luchtvaarttentoonstelling. Deze duurde van 17 augustus 1934 tot 2 september 1934. Op 12 juni 1936 werden op Schiphol met een aantal door de Fokkerfabriek geconstrueerde C10-vliegtuigen proefvluchten gehouden voor een commissie onder leiding van de majoor Van Heyst. Voor de NV Nederlandsche Vliegtuigenfabriek werden deze vliegtuigen voorgevlogen door de heer Van Neyenhoff, voor vliegkamp Soesterberg door de luitenant Wittert van Hoogland alsmede door de luitenant Wijnkamp. Twee maanden later, op 13 augustus 1936, maakten de eerste Koolhoven FK51 vliegtuigen hun intrede op vliegkamp Soesterberg. In de ochtend waren een aantal vliegers, waaronder Wijnkamp, naar vliegveld Waalhaven bij Rotterdam gevlogen om daar 5 Koolhoven FK51 vliegtuigen naar vliegkamp Soesterberg over te vliegen. Begin juli 1937 vond in de organisatie van de militaire luchtvaart op Soesterberg een algehele wijziging plaats, waarbij Wijnkamp de commandant werd van de 1e Tactische Vliegtuiggroep (1e TAVG). Met ingang van 26 maart 1938 werd Wijnkamp benoemd tot kapitein. Wijnkamp was op 14 april 1938 aanwezig bij de opening van de nieuwe, permanente luchtvaarttentoonstelling 'Soesterdal' op vliegkamp Soesterberg. Deze tentoonstelling was een opvolger van een vroegere, particuliere tentoonstelling. Op 6 juli 1938 maakte een eskader van 57 vliegtuigen een vlucht boven Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland, om zo hun dank uit te brengen aan de burgerij in de 4 grote steden vanwege van het zilveren jubileum van de Luchtvaartafdeling. Hierbij werd gevlogen in 2 groepen van 27 vliegtuigen en elke groep bestond uit 3 eskaders van 9 vliegtuigen. Voorop vloog er een escadrille van 3 vliegtuigen. De tweede groep bestond uit Fokker C5's en werden gevlogen door vliegers van de Jachtvliegtuig afdeling en onder bevel van de kapitein Van Weerden Poelman, de kapitein Wijnkamp en de kapitein Sissingh. Bij Koninklijk Besluit van 10 januari 1940, nummer 29 werd Wijnkamp in zijn rang en de ouderdom van zijn rang overgeplaatst bij het Wapen der Militaire Luchtvaart.
Wijnkamp was sinds 7 maart 1933 lid geworden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). De reden van zijn lidmaatschap bij de NSB was dat hij van mening was dat dit noodzakelijk was voor het wel en wee van Nederland. Hij bedankte toen de regering afkondigde dat ambtenaren geen lid meer mochten zijn van de NSB. Hij werd op 1 november 1940 toch weer lid van de NSB, al was Wijnkamp van mening dat hij dit eerder had kunnen doen omdat het ambtenarenverbod om niet toe te mogen tot treden tot de NSB al veel eerder was ingetrokken. Hij trad echter niet eerder toe omdat hij zich nog in zijn geheel gebonden achtte tot het actief personeel van de Nederlandse Weermacht. De reden dat hij op 1 november 1940 weer lid werd van de NSB was omdat hij van mening was dat er bij de leiding van de NSB geen voldoende mensen aanwezig waren die voldoende leiding konden geven om bij de chaos in Nederland, die volgens hem in Nederland aanwezig was, weer orde te gaan scheppen. Hij bekleedde geen functie bij de NSB, maar hij was wel vanaf half december 1940 tot augustus 1941 de secretaris van Frederik Ernst Muller die in Utrecht zetelde. Daarna ging hij met Muller mee naar de gemeente Rotterdam als voluntair-secretaris tot 15 april 1942. In 1942 trad Wijnkamp ook toe tot de Nederlandse SS (bij de SS-Polizei-Standarte) en was volgens zijn stamkaart SS-maat sinds 23 augustus 1942 met stamboeknummer 1070. Op 6 november 1942 was er in Helmond een bijeenkomst van Meinoud Marinus Rost Tonningen. Wijnkamp had de uitnodiging aanvaard, maar gaf daar verder geen vervolg meer aan. Wijnkamp werd vermeld in een rapport van de Minister van Oorlog van 20 maart 1943, No. A.J.G.W. 493/43, betreft G.W/598/43, op een lijst van onbetrouwbare en gevaarlijke personen, welke in Nederland circuleerde. Zijn echtgenote was ook lid van de NSB en volgens haar eigen verklaring had zij tijdens haar lidmaatschap enkele malen raampropaganda gemaakt, terwijl zij op de hoogtijdagen van de NSB 2 keer had gevlagd. Het partij-insigne werd door haar gedragen, terwijl zij voor 1940 wel eens een partijvergadering bezocht. Na 1940 las zij geen NSB-lectuur meer. Hun zoon en enig kind Bob werd in of rond maart 1941 lid van de NSB en bleef tot einde van de bezetting lid van deze beweging. In of rond augustus 1941 sloot hij zich aan bij de Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB en bleef ook hierbij tot het einde van de bezetting lid in de rangen van Weerman en Konstabel. In of rond december 1941 meldde hij zich aan bij de Waffen SS. Bij de Waffen SS bekleedde hij de rangen van Schutze, Sturmmann, Rottenfuhrer en Oberjunker. Hij nam ook deel aan de directe strijd aan het Oostfront, waar hij een aantal onderscheidingen ontving: het Verwundete Abzeichen (in zwart. zilver en goud), het Panzersturmabzeichen (in brons en zilver) en het IJzeren Kruis 2e klasse. Ook had hij de eed aan Adolf Hitler afgelegd. Zijn vader was verschrikkelijk ontstemd over het feit dat Bob zich bij de Waffen SS had aangemeld en was ook zonder toestemming gebeurd. Bob deed dit uit eigen beweging.
Op 10 mei 1940 rond 01:30 werd er door de officier van dienst, de tweede luitenant Treffers, telefonisch aan Wijnkamp in zijn kwartier in Loosduinen gemeld dat volgens berichten van de commandant luchtverdediging (C.-LvD) de toestand zorgelijk was. Om 02:30 bevond Wijnkamp zich op de commandopost. De vliegtuigafdelingen stonden gevechtsgereed opgesteld op vliegveld Ypenburg, maar bij het verschijnen van de eerste Duitse vliegtuigen stegen er 8 Fokker DXXI vliegtuigen op. In verband met de vele schendingen gaf Wijnkamp om 04:09 telefonisch bevel aan de commandant van 3-V-2 Lv.R. nog een patrouille van 3 Douglas vliegtuigen te laten opstijgen. Niet veel later zag Wijnkamp een twaalftal Heinkel-bommenwerpers boven vliegveld Ypenburg en gaf telefonisch aan de commandant van 3-V-2 Lv.R. het bevel om alle vliegtuigen te laten opstijgen. De commandant gaf later aan Wijnkamp door dat alle gevechtsgerede vliegtuigen al waren opgestegen. Daarna gaf Wijnkamp radio-telefonisch het bevel aan de patrouillecommandant "allen aanvallen" en daarna "niet op Ypenburg landen". Drie patrouillecommandanten seinden "begrepen". Vanuit de commandopost waren diverse luchtgevechten te volgen, waarbij de Douglas vliegtuigen zich op gemiddelde hoogte bevonden en de Fokker DXXI vliegtuigen op grote hoogte. Vanaf ongeveer 05:30 landden diverse Junkers vliegtuigen op vliegveld Ockenburg en in de omgeving, waarvan 1 landde op ongeveer 300 meter achter de commandopost. Omdat bij WIjnkamp niet bekend was hoe de dislocatie van de eigen militairen was, had hij een viertal dubbelposten voor de beveiliging uitgezet en ook patrouille laten lopen in de nabije omgeving. De luitenant Heyen en de sergeanten-vlieger Hinrichs en Aarts met ook 2 boordschutters meldden zich bij de commandopost na een noodlanding op Ockenburg. Wijnkamp zond hen door naar de commandant van 3-V-2 Lv.R. Om ongeveer 07:15 werd een patrouille in de nabije omgeving van de commandopost beschoten en ook gewond. Men hoorde hen roepen: "Ergibt Euch". Met medeneming van 2 gewonden liet Wijnkamp de commandopost ontruimen en op de terugtocht in de richting van Monster werden de 2 gewonden ondergebracht in de kliniek Bloemendaal. Wijnkamp wachtte daarna het oprukken van een bataljon Jagers van Monster naar Loosduinen af. Aangesloten bij de voor-compagnie rukte Wijnkamp op in de richting van de commandopost. Met beduidende verliezen te hebben geleden, lukte het de Jagers op te rukken tot het landgoed en werd de commandopost om 16:00 uur weer bezet. Nadat Wijnkamp zich in verbinding had gesteld met de commandant van 3-V-2 Lv.R. bleek bij hem, dat de vliegtuigbemanningen grotendeels waren vermist, terwijl er ook bij het grondpersoneel vele vermisten waren. Wijnkamp droeg de commandant van 3-V-2 Lv.R. ter plaatse het bevel over alle onderdelen te gaan voeren in verband met de vermissing van de commandanten van 1 en 2-V-2 LvR. Rond 17:00 uur moest het bataljon Jagers (1-RJ) met vele verliezen zich terugtrekken tot de achter de commandopost van Wijnkamp. Wijnkamp ontruimde weer zijn commandopost met medeneming van 2 auto's, terwijl Duitse militairen hen op de hielen zaten. Rond 21:00 uur trok de staf van V-2 Lv.R. met het bataljon Jagers het dorp Loosduinen binnen, terwijl het gehele boscomplex Ockenburg, Ockenrode en de kliniek Bloemendaal in Duitse handen was. Loosduinen was dus geisoleerd, maar vliegveld Ockenburg was inmiddels in handen van een bataljon Grenadiers. De staf van V-2 Lv.R. had 7 vermisten na de avondschermutselingen. Verbinding met de commandant van 3-V-2 Lv.R. gaf helaas maar weinig gezichtspunten. Het gezamenlijk personeel was zelfs betrokken bij straatgevechten in Rijswijk. De eerste luitenant-adjudant Vermeulen ging op de motor naar Rijswijk om daar contact op te nemen. In de vroege ochtend van 11 mei 1940 had Wijnkamp een overleg met de commandant van het bataljon Jagers en met de commandant van het bataljon Grenadiers op het vliegveld Ockenburg. In verband met het geschatte aantal van ruim 200 Duitse militairen, had Wijnkamp de bataljonscommandanten verzocht met spoed de bossen van Ockenburg te zuiveren. Wijnkamp ging daarna met de luitenant-adjudant Vermeulen naar het vliegveld Ockenburg om de toestand van de aanwezige vliegtuigen na te gaan. Na overleg met de kapitein Aler had hij contact met de luitenant Pronk van het Luchtvaartbedrijf met het verzoek alles zoveel mogelijk vlieg- en gevechtsgereed te maken. Officieren van Staf V-2 Lv.R. namen deel aan een zuiveringsactie in Loosduinen en nabije omgeving, terwijl het personeel van 1, 2 en 3-V-2 Lv.R. hetzelfde verrichtte in Rijswijk. Aan de commandant van 3-V-2 Lv.R. werd opgedragen 3 bemanningen voor Fokker G1 Wasp op Schiphol te dirigeren. Op 12 mei 1940 was Wijnkamp rond 11:00 uur terug op de commandopost, welke sinds de avond van 10 mei 1940 in Duitse handen geweest was. Volgens Wijnkamp waren zowel de telefoonverbindingen als de radiopost onklaar gemaakt, waren de autobanden lek gestoken en lagen vele inventarisstukken in het bos verspreid. Met alle beschikbare krachten waren de banden gedemonteerd, nadat de auto's op de weg waren getrokken. Zes militairen waren op de commandopost omdat Duitse militairen zich ten zuiden van de Monsterseweg in de kassen en de boerderij Madestein bevonden. Wijnkamp had bij de commandant van 2 Lv.R. een infanteriedekking aangevraagd, maar deze was niet ter beschikking gekomen. Drie vermisten meldden zich terug. Bij het invallen van de duisternis ging hij met al het personeel weer terug naar Loosduinen. Wijnkamp ontving hier de opdracht een commandopost op Schiphol in te richten en daar de groep te gaan verzamelen. Dit bericht werd doorgegeven aan de commandant van 3-V-2 Lv.R. Ook gaf hij het personeel van 1 en 2-V-2 Lv.R. de opdracht te verzamelen onder het commando van de commandant van 1-V-2 Lv.R. Op 13 mei 1940 was de afmars naar Schiphol niet wenselijk in verband met berichten van de commandant Vesting Holland dat de wegen onveilig waren door Duitse parachutisten. Een dag later vond om 07:00 uur de afmars over Voorschoten naar Leiden plaats. Wijnkamp kreeg in Leiden van de kantonnementscommandant het bericht dat de weg van Hillegom - Haarlem - Halfweg - Sloten veilig was. Wijnkamp kwam met zijn manschappen om 12:00 uur in Sloten aan. De colonne werd hier verdekt onder de bomen opgesteld. Wijnkamp zocht contact met de commandant van 1 Lv.R. waarna de later de commandopost, ingericht in de Catharinahoeve aan de Sloterweg in Badhoevedorp, werd verkend. Door Wijnkamp bij het Commando Luchtverdediging een V.O.-lijn en een rijksnetverbinding aangevraagd, maar door de majoor De Groot werd aan Wijnkamp gemeld dat geen lijn meer werd verstrekt omdat Nederland de wapens had neergelegd. Op 15 mei 1940 werden de wapens en uitrusting verzameld, geteld en opgeborgen in een tijdelijk magazijn. Dit magazijn was afgesloten en stond onder bewaking van een post.
Met ingang van 15 juli 1940 werd hij, volgens punt 3 van het artikel 70 van de Bevorderingswet voor de Landmacht, op non-actief gezet. Daarna werd hij automatisch ingedeeld bij de Opbouwdienst. Maar al in oktober 1940 werd hij uit de Opbouwdienst ontslagen, nadat hij moeilijkheden had gekregen met een van zijn hogere commandanten en werd toen gewoon weer burger. Op 1 november 1940 werd hij dus opnieuw lid van de NSB en werd belast met de organisatie, dat wilde zeggen het op been brengen van de Nederlandse luchtvaart. In januari 1941 deed hij als heerbanleider-vlieger, hoofd van de Dienst XI (Luchtvaartzaken), om de luchtvaartgedachte in het volk wakker te houden en verder te ontwikkelen in de nationaal-socialistische geest, een verzoek aan alle personen die in de Nederlandse luchtvaart hadden gewerkt, zich snel schriftelijk moesten melden bij het Stafkwartier van de Weerbaarheidsafdeling, Dienst XI aan de Maliebaan 76 in Utrecht. Zij zich die zich tot deze aanmelding geroepen voelden moesten dit doen onder de vermelding van naam, adres, woonplaats, leeftijd en schoolopleiding, werkzaamheden bij de NSB en ook een korte beschrijving van de vroegere werkzaamheden of de positie in de luchtvaart. Door tegenwerking van de Duitse militaire zijde lukte het op been brengen van de Nederlandse luchtvaart niet. Daarna was het de bedoeling dat hij burgemeester zou worden. Maar omdat hij hiervoor nog geen opleiding had gevolgd, werd hij toen als volontair in Rotterdam geplaatst waar hij onder de toenmalige burgemeester Frederik Ernst Muller zijn opleiding kreeg. Wijnkamp was bij de NSB bevorderd tot heerbanleider van de Weerbaarheidsafdeling (WA). Ter gelegenheid van de verjaardag van de NSB-leider Anton Mussert vond op 11 mei 1941 op de Maliebaan in Utrecht een groot defile van de Schutzstaffel (SS), de Weerbaarheidsafdeling en de Jeugdstorm plaats. De ruim 6000 leden van de WA stonden onder leiding van de heerbanleiders Van Dierendonck, Meulenberg, Feenstra, Hofman en ook Wijnkamp. De Reichsleiter Adolf Huhnlein, de Korpsfuhrer van de Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK), bracht op 9 juni 1941 een bezoek aan Mussert in Utrecht. Voor het hoofdkwartier van de NSB stond een eenheid van de WA opgesteld. De Duitse gasten inspecteerden, in het gezelschap van de opperheerbanleider Van 't Hof en de heerbanleiders Meulenberg en Wijnkamp, de eenheid van de WA. Hierna vond de ontmoeting met Mussert in zijn werkkamer plaats. Op 8 augustus 1941 vertrok Mussert, in het gezelschap van Frederik Ernst Muller (commissaris van de provincie Utrecht), Arie Johannes Zondervan (commandant van de WA) en heerbanleider Wijnkamp, naar Belgie. Op uitnodiging van de generaal en bevelhebber van de Luftgau in Belgie, Wilhelm Georg Wimmer, werd een driedaags bezoek gebracht om zich daar van de opleiding van de WA-mannen in Belgie, die bij de NSKK en de Luftnachrichtentruppe dienden, op de hoogte te laten stellen. Op 20, 21 en 22 augustus 1941 brachten de commandant van de WA, in het gezelschap van de heerbanleider Wijnkamp, de banleider Kaffka Dengleer en zijn adjudant, een bezoek aan Drenthe. Hier bezocht men een groot aantal kameraden op hun boerderijen, veenkoloniale bedrijven alsmede de vendels en de afdelingen van de WA in Coevorden, Grolloo, Annen en Assen. Het driedaagse bezoek aan Drenthe was georganiseerd door de waarnemend banleider Tunnis Buursma. Wijnkamp was ook de commandant van de Luchtvaart WA (LUWA). Van maandag 25 tot en met 30 augustus 1941 vond in de centrale kaderschool van de WA in Amersfoort een luchtvaartkampweek plaats voor de leden van de Luchtvaart WA. Het kamp werd in de avond van maandag 25 augustus 1941 door Wijnkamp geopend. In zijn openingswoord voor de 33 leerlingen, voor wie dit eerste kamp begon, gaf Wijnkamp een uiteenzetting van het doel en de taak van de Luchtvaart WA, welke in opdracht van Wijnkamp was opgericht. Nadat hij de opleiding voor de functie als burgemeester had gevolgd, werd hij echter geen burgemeester. In plaats daarvan werd hij, nadat men hem daarvoor had gevraagd, commandant van de Marechaussee Gewest 's-Hertogenbosch. Op 15 mei 1942 werd hij als krijgsgevangene naar Oflag XIII B Neurenberg-Langwasser afgevoerd en kreeg in het kamp het krijgsgevangenenummer 31772. Op 7 juli 1942 werd hij weer ontslagen uit het krijgsgevangenschap en was op 9 juli 1942 weer terug in Nederland.
Op 26 juli 1942 werd hij benoemd tot kapitein der Marechaussee en was tot 15 april 1943 de commandant van de Marechaussee Gewest 's-Hertogenbosch. Op 21 september 1942 werd hij bevorderd tot majoor der Marechaussee. Op 16 april 1943 aanvaardde hij dezelfde functie in Groningen en werd dus commandant van de Marechaussee Gewest Groningen. Hij bleef daar tot 30 september 1943 en was voor zijn vertrek aanwezig bij een tweedaags bezoek van Mussert aan de provincie Drenthe. Daarna werd hij in dezelfde functie weer teruggeplaatst in 's-Hertogenbosch en werd commandant van de Marechaussee Gewest Eindhoven. Op 17 september 1944 moest hij zich melden in Schalkhaar waar hij aangedrongen werd om lid te worden van de Gendarmerie of van de Compagnie Arbeitskontrolle Dienst, maar deed dat niet en werd op dezelfde dag overgeplaatst naar het Gewest Arnhem in Enschede. Hij werd gedetacheerd bij de politie en was hier verbindingsofficier onder de gewestelijk politie commandeur luitenant-kolonel Veenstra in Arnhem. Op 22 februari 1945 werd hij weer overgeplaatst, dit keer naar Amsterdam om daar de functie over te nemen als commandant van de Marechaussee Gewest Amsterdam. Al deze door hem beklede functies waren in de rang van een luitenant-kolonel. Op 7 mei 1945 werd hij vanwege zijn NSB-lidmaatschap gearresteerd en werd tijdens zijn arrestatie overgedragen aan de commandant der arrestanten in het gebouw aan de Koningslaan 36 in Amsterdam. Hij was in totaal 22 weken in arrest, waarvan 20 weken in het Huis van Bewaring I en 2 weken in het Huis van Bewaring II. In oktober 1946 was hij geinterneerd in het Bewarings- en Verblijfskamp in de De Costaschool aan de Da Costastraat 64 in Amsterdam. Daarna werd hij vanaf 11 februari geinterneerd in Fort Spijkerboor en vanaf 12 april 1947 in Fort Zuidwijkermeer. Zijn vrouw Berendina was tot 27 oktober 1946 in kamp Weesp geinterneerd. Hun zoon kwam op 20 september 1946 in kamp Amersfoort aan. Bij hem werd een gouden zegelring in beslag genomen. Hij werd geinterneerd in het Huis van Bewaring in Scheveningen en daarna in het Bewarings- en Verblijfskamp "Wezep". Tegen het einde van 1945 kreeg de minister van Justitie een advies van de Commissie van Advies welke was ingesteld op grond van het Zuiveringsbesluit 1945. Dit advies, uitgebracht op 18 oktober 1945, ging over het handelen van Willem Henri Wijnkamp. Deze commissie concludeerde dat Wijnkamp zich tijdens de bezetting schuldig had gemaakt aan ontrouw gedrag, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub 1 van het Zuiveringsbesluit 1945. Bij de beschikking van de minister werd Wijnkamp op 13 december 1945 ontslagen uit zijn functie van luitenant-kolonel der staatspolitie.
De openbare zitting vond plaats op 11 juni 1947 waar Wijnkamp werd bijgestaan door zijn raadsman Mr. Jelher de Jong. Wijnkamp werd tijdens de zitting beschuldigd dat hij als Nederlander tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa zich als lid had aangesloten bij de Nationaal-Socialistische Beweging der Nederlanden en bij de WA, waarbij hij de rang van heerbanleider had vervuld, zich als lid zich had aangesloten bij de Nederlandse SS (later hernoemd naar de Germaanse SS) en wel bij een SS Politiestandaard, getracht had een luchtvaartafdeling op de richten bij NSB, zich als een NSB'er zijnde als een voluntair voor de gemeentesecretarie van Rotterdam van de burgemeester van die gemeente (Muller en eveneens lid van de NSB) een opleiding had ontvangen voor het ambt als burgemeester, hij hulp had verleend aan de vijand en zijn handlangers door als een NSB'er diverse hoge functies te bekleden in het Nederlandse politie-apparaat, hij voordeel had getrokken uit de door de vijandelijke bezetting geschapen feitelijke toestanden door als een NSB'er en/of als een politieman ontslag uit de Duitse krijgsgevangenschap te krijgen en te accepteren en ook aan deze functies bij de Nederlandse politie verbonden traktementen te toucheren en blijk had gegeven van nationaal-socialistische gezindheid door de SS-runetekens zichtbaar op zijn uniform te dragen, niet te beletten dat zijn minderjarige zoon dienst nam bij de Waffen SS, een uitnodiging tot het bijwonen van een vergadering, waar Rost van Tonningen zou spreken en vergaderingen van Rechtsfront bij te wonen en ook ondergeschikten op te dragen dit ook te doen. Tijdens deze zitting verklaarde Wijnkamp een Nederlander te zijn en ook erkende hij het hem tenlastegelegde, maar met uitzondering van de opdracht om aan ondergeschikten vergaderingen van het Rechtsfront bij te wonen en het zelf bij te wonen van meer dan 1 vergadering van Rechtsfront. Ook werden verschillende bewijsstukken aangetoond zoals de lidmaatschapskaart van de NSB, het WA-zakboekje, het contributieboekje van de Germaanse SS in Nederland uit 1944 en een formulier van de Nederlandse SS. Ook waren er proces-verbalen van getuigen tegen Wijnkamp, brieven en verklaringen als bewijs aanwezig. Op 27 augustus 1947 vond de uitspraak van het tribunaal 's-Hertogenbosch tegen Wijnkamp plaats. Het tribunaal verklaarde de beschuldigingen bewezen en legde Wijnkamp een internering op met het advies om de tijdsduur daarvan te beperken tot 4 jaar waarbij ook de tijd werd meegerekend die hij voor zijn internering al in detentie had doorgebracht en dat de internering op 8 mei 1949 moest eindigen, de ontzetting van het recht van kiezen en verkiesbaarheid bij wettelijk uitgeschreven verkiezingen en de ontzetting van het recht om openbare ambten te bekleden. Zijn vrouw was eerder, op 23 oktober 1946, door de Officier-Fiscaal in Amsterdam, Dr. Jacobus Bernardus Drewes, buiten vervolging gesteld maar met ontzetting uit diverse rechten en de betaling van 1000 gulden voor 1 januari 1947. Hun zoon Bob werd door het tribunaal in Utrecht op 24 oktober 1947 veroordeeld tot 4 jaar internering (met inbegrip van de periode van 23 november 1945 tot 24 oktober 1947) met het bevel dat deze internering niet ten uitvoer zou worden gelegd voor een periode van 2 jaar en 29 dagen tenzij het tribunaal later alsnog anders zou beslissen op grond dat Bob Wijnkamp tijdens een proeftijd van 3 jaar zich niet als een goede Nederlander gedroeg of de bijzondere voorwaarden, dat hij zich onder het toezicht van de heer Mr. Brummen in Amsterdam stelde en hij niet met ex-politieke delinquenten om ging, niet naleefde, zodat hij op 24 oktober 1947 in vrijheid kon worden gesteld. Ook kreeg hij ontzetting van de rechten van het kiezen en verkiesbaarheid bij wettelijk voorgeschreven verkiezingen. Ten slotte werd er vastgesteld dat het beheer over zijn vermogen zou worden opgeheven 3 maanden nadat de uitspraak definitief was geworden. Het tribunaal achtte zijn hulp aan de vijand zeer laakbaar en dat een langdurige internering op haar plaats leek, maar omdat hij al door het missen van een long en een been door de strijd aan het Oostfront dusdanig gestraft was, was het tribunaal van oordeel dat mede gelet op de zeer slechte gezondheid van Bob, er met een voorwaardelijke straf kon worden voldaan. Willem Henri Wijnkamp overleed op 23 december 1959 in Bussum.

Kapitein-vlieger Willem Henri Wijnkamp
Bron: NIMH