Fredrikus van der Sloot
Fredrikus van der Sloot werd geboren op 31 december 1917 in Rotterdam als zoon van Jakob van der Sloot en Johanna Wilhelmina Daams. Op 5 oktober 1936 werd hij ingelijfd als gewoon dienstplichtige van de lichting 1937 uit Rotterdam met het lotnummer 3632 bij het Regiment Grenadiers. Fredrikus was op dat moment werkzaam als kantoorbediende en woonde aan de Hugo de Grootstraat 80C in Rotterdam. Bij het Regiment Grenadiers werd hij ingedeeld bij de Tirailleurcompagnie. Op 19 maart 1938 ging hij met groot verlof, maar vanwege de mobilisatie kwam hij op 29 augustus 1939 weer op en werd ingedeeld bij het 3e Bataljon, 1e Compagnie van het Regiment Grenadiers. Op 15 september 1939 krijg hij 2 dagen licht arrest omdat hij ongeveer een uur na de reveille in bed werd aangetroffen. Op 23 september 1939 krijg hij 4 dagen licht arrest omdat hij een ongepast antwoord aan een sergeant had gegeven. Op 22 januari 1940 kreeg hij nog i 6 dagen licht arrest omdat hij zonder voorkennis van zijn sectiecommandant het gelid had verlaten op het trottoir was gaan lopen. Nog geen maand later, op 12 februari 1940, werd hij overgeplaatst naar het Depotbataljon Regiment Grenadiers. Op 4 maart 1940 ging hij in onderhoud bij de 1e Compagnie Intendance Troepen (een onderdeel van de Etappen-Directie in Rotterdam) en werkte daar als facturist bij het Centrale Cantine Bedrijf. Op 25 april 1940 kreeg hij in totaal 4 dagen verzwaard arrest omdat hij met een geweer met een zwaar verroeste loop werd aangetroffen.
Omdat Van der Sloot op 10 mei 1940 nog steeds bij de 1e Compagnie Intendance Troepen diende, trad hij die dag op als de gewapend geleide van de legerauto waarin de reserve-eerste luitenant Polman en de dienstplichtig soldaat Schaap zaten. In Rotterdam stuitten zij op 2 Britse militairen die om een lift naar Den Haag vroegen. Polman ging hiermee akkoord en vanaf Hoek van Holland werd vervolgens met omwegen naar Den Haag gereden. Bij de commandopost van het 2e Luchtvaart Regiment Ve Groep (5-2-LvR) werd er door de reserve-eerste luitenant Polman nagevraagd of Den Haag via de weg naar Loosduinen bereikbaar was. Door de Nederlandse militairen werd dit positief beantwoord maar zonder enige een garantie van de zijde van de betrokken officieren. Aan de beide Britse militairen, genaamd Charles Henry Aubrey Cartwright en Douglas Walter Child, werd een en ander medegedeeld en erop gewezen dat er in de directe omgeving misschien nog Duitse troepen waren achtergebleven of waren achtergelaten. De Britse militairen hadden echter haast om Den Haag te bereiken en op hun aandringen is men vervolgens toch richting Den Haag gereden. Ongeveer een kilometer voorbij de kliniek Bloemendaal kwam de auto in een hinderlaag van Duitse parachutisten. Van der Sloot werd in zijn been geraakt en viel uit de auto. De commandant van de Duitse militairen, een onderofficier, was ondertussen de auto genaderd met een getrokken pistool en nam zowel Polman als Van der Sloot gevangen. Beiden werden onder de leiding van de Duitse militairen meegenomen naar de woning van een politieagent, die op ongeveer een halve kilometer van de locatie van de hinderlaag lag. Van der Sloot kon door de schotwond in zijn been nog nauwelijks lopen en werd door Polman, afgewisseld door de Duitse onderofficier, gedeeltelijk gesteund en gedragen naar deze woning. De weg lag ook onder vuur van Nederlandse militairen. Bij aankomst bij de woning zochten zij daarachter dekking en werd Van der Sloot verbonden met een verbandpakket die door de Duitse onderofficier ter beschikking was gesteld. De wond zag er niet mooi uit, maar de kogel was niet in het been doorgedrongen en er slechts langs geschaafd. Na enige tijd bij deze woning van de politieagent te hebben doorgebracht werden zij door de Duitse militairen overgebracht naar een Duitse infanterie-eenheid. Op 11 mei 1940 om 21:45 werd volgens Polman de nachtmars ingezet en zonder een schot te lossen werd later Wateringen bereikt. In de loop van de ochtend van 12 mei 1940 probeerden Duitse militairen de gewonden terug te sturen naar de Nederlandse stellingen. Pas na onderhandelingen door parlementairen met witte vlaggen werd een overeenstemming bereikt. Er waren 5 gewonden, waaronder Van der Sloot. In het begin wilden de Duitse militairen Van der Sloot niet uitleveren omdat hij er intelligent uitzag en naar hun mening zeer veel gezien zou hebben. Op aandringen van Polman stemden de Duitse stafofficieren erin toe, dat Van der Sloot ook werd uitgeleverd. Tegen 12:00 uur werden de gewonden met draagbaren, gedragen door Nederlandse militairen en onder Duitse geleide, naar een vooraf bepaald punt gebracht op de weg naar Monster, om daarna door het Nederlandse Rode Kruis te worden opgehaald. Op 20 mei 1940 trof Polman de gewonde Van der Sloot aan in het kantonnements-ziekenverblijf van het 1e Bataljon Regiment Jagers in Monster. Van der Sloot had in totaal 2 schoten in zijn rechterbeen opgelopen, waarvoor hij in totaal 6 weken in een ziekenhuis werd verpleegd. Na zijn herstel ging Van der Sloot op 22 juni 1940 in onderhoud bij het Etappe Commando in Amsterdam.
In augustus 1940 ging Van der Sloot, vrijwillig via het arbeidsbureau in Rotterdam, aan de slag als boekhouder bij de Junkers Vliegtuigenfabrieken in Schonebeck, Duitsland. Hij werkte daar tot rond juli 1944. In februari 1941 sloot hij zich aan bij de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) en bleef lid tot het einde van de oorlog. Op 9 januari 1944 trouwde hij met Ilse Frieda Johanna Zeising. Zij was geboren op 16 september 1920 in Grosswirschleben. Uit dit huwelijk werd een dochtertje geboren. In juli 1944 meldde hij zich vrijwillig bij de Waffen SS in Maagdenburg. Op 31 juli 1944 kwam hij bij de 48. SS-Freiwilligen-Panzergrenadier-Regiment General Seyffardt. Hij meldde zich bij de Waffen SS om te strijden tegen het communisme en legde ook de eed van trouw op de Fuhrer af. Op 1 augustus 1944 meldde hij zich in Sennheim. Hij kreeg een militaire opleiding en verbleef daar tot september 1944. Daarna ging hij naar Graz, waar in november 1944 zijn opleiding werd beeindigd en hij inmiddels de rang van SS-Obergrenadier had. Op 16 januari 1945 nam hij in de omgeving van Schneidemuhl deel aan de strijd tegen de Russen. In februari 1945 werd hij wegens een beenziekte (zweren op beide bovenbenen) opgenomen in een ziekenhuis. Via diverse ziekenhuizen kwam hij eind maart 1945 in een ziekenhuis in Dantzig aan. De Russen kwamen steeds dichterbij, zodat hij haast iedere dag naar een andere plaats werd vervoerd. Begin april 1945 kwam hij in Maagendburg terecht, vlakbij zijn huis en ging daarna naar huis. Op 5 april 1945 werd hij opgenomen in een ziekenhuis in Schonebeck, waar hij op 11 april 1945 krijgsgevangene werd gemaakt door Amerikanen. Volgens een 'arrest report' van de 45 Field Security Section werd hij op 9 juli 1945 om 11:30 in Diepholz gearresteerd. Via diverse kampen kwam hij uiteindeljk op 31 augustus 1945 in het kamp Vught aan, waar hij op 4 februari 1946 werd overgenomen door de Politieke Opsporingsdienst (POD) in Rotterdam. Zijn naam kwam bij de Politieke Opsporingsdienst voor met de vermelding 'Gehuwd met een Duitse'. Zijn vrouw verbleef na de oorlog in het door Rusland bezette gedeelte van Duitsland en mocht niet naar Nederland komen, voordat haar man in vrijheid was gesteld. Van der Sloot kreeg op 15 april 1947 het bericht van zijn vrouw dat hun driejarig dochtertje rond Pasen van dat jaar was overleden.
Tijdens de openbare zitting van het tribunaal in Rotterdam op 11 december 1947 werd hij veroordeeld tot internering van 5 jaar (ingaande op 31 augustus 1945, de dag waarop hij in bewaring gesteld werd zodat de internering op 31 augustus 1950 zou eindigen), ontzetting uit het recht van kiezen en de verkiesbaarheid bij wettelijk uitgeschreven verkiezingen, ontzetting van het bekleden van ambten en ten slotte ontzetting van het recht van het dienen bij de gewapende macht. Hij verbleef in het interneringskamp "Hoogerheide" in Woensdrecht en het interneringskamp "Crailo" in Laren. In een brief van de minister van Justitie, opgesteld en ondertekend namens de directeur-generaal voor Bijzondere Rechtspleging, van 4 maart 1948 wordt gemeld dat gelet de voordracht van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten, het advies van de kampcommandant en gelet op ernst van de gedragingen waarvan aan Van der Sloot internering was opgelegd, hij zou worden ontslagen uit internering omdat hij zich vrijwillig had aangemeld voor tewerkstelling in Nieuw-Guinea of elders in Nederlands-Indie voor de tijd van 2 jaar. Het ontslag ging in op de dag dat hij zich zou gaan inschepen voor de reis naar Nederlands-Indie.