Hinderik Schaap
Hinderik Schaap werd geboren op 18 juli in 1905 in Delft als zoon van Geert Schaap en Wilhelmina Vonk. Twintig jaar later, op 24 juli 1925, werd hij ingelijfd als gewoon dienstplichtige van de lichting 1925 uit Delft met het lotnummer 142 bij het Regiment Grenadiers. Door een overplaatsing kwam hij op 1 november 1928 terecht bij de Schoolcompagnie van de Motordienst en ging hij op 13 juni 1931 met groot verlof. Op 26 juli 1932 trouwde hij in Delft met Willemijntje Naaborg. Zij kregen 3 kinderen, namelijk Wilhelm Geert, Plonia Jacoba en Johanna. Hinderik werkte als verwarmingsmonteur en scheepmaker en woonde met zijn gezin aan de Molenstraat 48 in Delft. Vanaf 1 januari 1936 behoorde hij tot het Korps Motordienst.
Vanwege de mobilisatie kwam hij op 29 augustus 1939 op en werd ingedeeld bij de Staf Etappe Commando Rotterdam. Op 10 mei 1940 was Schaap de chauffeur van de legerauto waarin de reserve-eerste luitenant Polman en de dienstplichtig soldaat Van der Sloot zaten. In Rotterdam stuitten zij op 2 Britse militairen die om een lift naar Den Haag vroegen. Polman ging hiermee akkoord en vanaf Hoek van Holland werd vervolgens met omwegen naar Den Haag gereden. Bij de commandopost van het 2e Luchtvaart Regiment Ve Groep (5-2-LvR) werd er door de reserve-eerste luitenant Polman nagevraagd of Den Haag via de weg naar Loosduinen bereikbaar was. Door de Nederlandse militairen werd dit positief beantwoord maar zonder enige een garantie van de zijde van de betrokken officieren. Aan de beide Britse militairen, genaamd Charles Henry Aubrey Cartwright en Douglas Walter Child, werd een en ander medegedeeld en erop gewezen dat er in de directe omgeving misschien nog Duitse troepen waren achtergebleven of waren achtergelaten. De Britse militairen hadden echter haast om Den Haag te bereiken en op hun aandringen is men vervolgens toch richting Den Haag gereden. Ongeveer een kilometer voorbij de kliniek Bloemendaal kwam de auto in een hinderlaag van Duitse parachutisten, die de auto flink onder vuur namen. Tijdens dit vuur sprong Schaap uit de auto en werd hij vermoedelijk, toen hij op de weg stond, dodelijk geraakt. Op 14 mei 1940 werd hij begraven op het GDA-terrein in Loosduinen en op 18 mei 1940 herbegraven op de Algemene Begraafplaats aan de Kerkhoflaan in Den Haag. Op 11 juni 1940 deed zijn zwager, Jacob Naaborg, bij de gemeente Den Haag aangifte van zijn overlijden. Een maand later, op 14 juni 1940, werd zijn overlijden bij de gemeente Delft ingeschreven.
De chef van de 1e Afdeling van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis stuurde op 21 mei 1940 een brief naar de weduwe van Hinderik Schaap en liet in deze brief weten dat zij het bericht hadden ontvangen over het overlijden van Hinderik Schaap, dat hij op 13 mei was gesneuveld en hij in Den Haag op de Algemene Begraafplaats Kerkhoflaan werd begraven. Op 8 december 1940 stuurde de luitenant-kolonel Polis, namens de officieren, onderofficieren, korporaals en de soldaten van de Motordienst een brief naar de weduwe. Zij boden, ter nagedachtenis van hun gevallen wapenbroeders, een fotolijstje aan. Ook schreef hij dat, indien zij nog beschikte over een portret van hun gesneuvelde kameraad, het op prijs werd gesteld deze te mogen ontvangen. Op die manier konden deze foto’s worden bewaard en een waardige plaats krijgen, ter herdenking van het offer dat zij hadden gebracht. Naar aanleiding van deze brief stuurde de sergeant-majoor-administrateur Klop op 2 januari 1941 een verslag over wat op 10 mei 1940 was gebeurd. Volgens een formulier van de Oorlogsgravenstichting, gedateerd 10 november 1971, had de weduwe in 1940 een foto van haar echtgenoot ter beschikking gesteld aan de luitenant-kolonel Polis. Zij wilde deze foto, indien mogelijk, terug hebben of weten wat met deze foto was gebeurd. Op 16 december 1971 schreef de waarnemend-directeur van de Oorlogsgravenstichting aan de weduwe dat, naar aanleiding van haar bezoek op 10 november 1971 waarbij zij verzocht nasporingen te doen naar de foto van haar gesneuvelde echtgenoot en naar het destijds beloofde fotolijstje, had hij geprobeerd had na te gaan hoe een en ander zich had voorgedaan. Na veel informaties was het hem gelukt om het adres van de luitenant-kolonel Polis terug te vinden. Hij bleek al geruime tijd te zijn overleden, maar zijn echtgenote was zo vriendelijk hem te woord te staan. Zij herinnerde zich de fotolijstjes wel, maar wat ermee gebeurd was wist zij niet. Zelf had zij geen portretlijstje en in de nalatenschap van haar echtgenoot was zij ook niets van dien aard tegengekomen. Wel kon zij zich een aantal namen herinneren uit de diensttijd van haar echtgenoot. Aan de zijde van de Oorlogsgravenstichting kon een van de officieren telefonisch worden benaderd, maar daarbij bleek dat hij niet van dezelfde diensttak was geweest en ook niets wist van zowel de foto als van het portretlijstje. Toen dit geen resultaat opleverde had hij geprobeerd familie op te sporen van collega's van het legeronderdeel van haar echtgenoot. Alleen de familie Barendse kon hem mededelen dat zij wel zo'n fotolijstje bezaten. Zij hadden het jaren daarvoor ontvangen via de zilverfabriek Koninklijke Begeer uit Voorschoten. De waarnemend-directeur van de Oorlogsgravenstichting had direct contact opgenomen met deze fabriek, waar men direct bereid was een en ander te onderzoeken. Er bleken echter geen gegevens voorhanden te zijn omdat na 10 jaar de archieven werden vernietigd, zodat ook dit spoor niet tot het gewenste resultaat leidde. Wel was vast komen te staan dat er lijsten met foto's waren geweest, maar de reden dat de weduwe geen fotolijst had ontvangen kon helaas niet door hem achterhaald worden. De weduwe dankte hem in een brief van 1 januari 1972 voor al het werk dat hij gedaan had om er achter te komen waar de destijds door haar opgestuurde foto van haar echtgenoot gebleven was. De naam Barendse, waar hij over schreef, was bij haar totaal onbekend en kwam volgens haar ook niet voor op de ledenlijst van de Staf Etappe Commando Rotterdam, die elk jaar in mei een reunie in Rotterdam hielden.
