Joseph Joannes Antonius Polman
Joseph Joannes Antonius Polman werd geboren op 26 november 1895 in Rotterdam als zoon van Joseph Maria Lambertus Polman en Hendrika Petronella van Ruth. Zijn militaire carriere begon toen hij zich op 1 maart 1915 voor de opleiding tot officier beschikbaar stelde. Daarvoor werd hij op 17 februari 1915 als dienstplichtige van de lichting 1915 uit de gemeente Rotterdam ingelijfd bij het 16e Regiment Infanterie. Op 27 januari 1916 werd hij bevorderd tot korporaal, op 12 mei 1916 tot sergeant en op 8 juni 1917 tot vaandrig. Bij Koninklijk Besluit van 14 november 1917 werd hij benoemd tot reserve-tweede luitenant bij het 16e Regiment Infanterie. Op 1 december 1919 ging hij over naar het 19e Bataljon Landweer Infanterie in het Landweerdistrict Utrecht II. Bij Koninklijk Besluit van 20 oktober 1921 werd hij met ingang van 14 november 1921 benoemd en aangesteld tot reserve-eerste luitenant bij het 19e Bataljon Landweer Infanterie. Door een reorganisatie ging hij op 26 juni 1922 over naar het 4e Regiment Infanterie. Ten slotte werd hij op 30 juni 1923 overgeplaatst naar het 22e Regiment Infanterie, om daarna op 27 september 1924 met groot verlof te gaan. Polman vervolgde zijn korte militaire carriere in de burgermaatschappij. Op 15 januari 1933 trouwde hij in Taormina (Italie) met Caterina Brody. Zij werd geboren op 12 september 1908 in Boedapest als dochter van Stefano Brody en Irene Biro. Het huwelijk werd op 3 december 1935 ingeschreven in de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam. Bij de mobilisatie werd hij ingedeeld bij de 2e Compagnie Intendance Troepen van de Afdeling Intendance Troepen Etappen Directie in Rotterdam.
Op 10 mei 1940 om 09:11 kreeg Polman de opdracht met de auto naar Hoek van Holland te gaan, met het oog op de controle van zich aldaar bevindende intendancegoederen. Polman ging naar Hoek van Holland met de dienstplichtig soldaat Hinderik Schaap (die als de chauffeur optrad) en onder gewapend geleide van de dienstplichtig soldaat Fredrikus van der Sloot. Onderweg werden zij aangehouden door 2 engels sprekende personen, die Polman vertelden dat zij naar Den Haag wensten te gaan en vroegen hen bij uitzondering mee te nemen. Polman ging hiermee akkoord. Op weg naar Hoek van Holland kreeg hij bij Maassluis van een veldwachter de waarschuwing dat Maassluis, of tenminste dat de Oranjesluizen, door Duitse parachutisten bezet was. Hij zocht daarna een andere weg, die langs de binnenwegen over Poeldijk, Naaldwijk naar 's-Gravenzande leidde en wist zo Hoek van Holland te bereiken. Rond 10:30 kwam men in Hoek van Holland, waar Polman zijn opdracht vervulde. In Hoek van Holland vernam men dat de directe weg Den Haag via Delft deels in Duitse handen was. In overleg met de Engelse personen, Charles Henry Aubrey Cartwright en Douglas Walter Child, besloot hij toch te proberen Den Haag te bereiken. Omdat veel wegen inmiddels opgebroken waren, moesten zij weer langs omwegen proberen hun doel te bereiken. Voorbij Monster stuitten zij op een bataljon Jagers, die in gevecht waren met Duitse troepen. Hierdoor moesten Polman en de overige inzittenden van de auto ter hoogte van de kliniek Bloemendaal een aantal uren wachten. Pas rond 16:00 uur was het terrein min of meer van Duitse troepen gezuiverd en rukte het bataljon Jagers op in de richting van Ockenburg. Net voorbij de kliniek was in een houten villa de commandopost van he 2e Luchtvaartregiment Ve Groep gevestigd.
Bij de commandopost vroeg de reserve-eerste luitenant Polman aan de aanwezige officieren naar hun mening of Den Haag via de weg naar Loosduinen bereikbaar was en van daar via Rijswijk. Door Nederlandse militairen werd dit positief beantwoord maar zonder een enige garantie van de zijde van de betrokken officieren. Door Polman werd een en ander aan Cartwright en Child medegedeeld en wees hen erop dat er in de directe omgeving misschien nog Duitse troepen waren achtergebleven of waren achtergelaten. Cartwright en Child hadden echter haast om Den Haag te bereiken en op hun aandringen is men vervolgens toch richting Den Haag gereden. Ongeveer een kilometer voorbij de kliniek Bloemendaal kwam de auto in een hinderlaag van Duitse parachutisten, die de auto flink onder vuur namen. Als eerste slachtoffers van deze hinderlaag vielen Cartwright en zijn collega Child. Cartwright werd volgens Polman direct gedood en Child raakte zwaargewond. Polman constateerde dat een van de voeten van Child door het vijandelijk vuur zo goed als afgeschoten was. Cartwright viel bovenop Polman en hij werd daardoor op de bodem van de auto gedrukt. Al liggende probeerde Polman met zijn zakdoek de voet van Child te verbinden. Ondertussen was Schaap uit de auto gesprongen en werd hij vermoedelijk, toen hij op de weg stond, dodelijk geraakt. Van der Sloot werd in zijn been geraakt en viel uit de auto. Ondertussen had Polman geprobeerd uit de auto te kruipen. Naar zijn mening hadden de Duitsers het te voorschijn halen van zijn zakdoek voor het verbinden van de voet van Child aangezien voor een witte vlag, waarna het vuren werd gestaakt. De auto was geheel doorschoten, was de radiator lek geschoten en waren ook de ruiten verbrijzeld. De commandant van de Duitse militairen, een onderofficier, was ondertussen de auto genaderd met een getrokken pistool en nam zowel Polman als Van der Sloot gevangen. Beiden werden onder leiding van de Duitse militairen meegenomen naar de woning van een politieagent, die op ongeveer een halve kilometer van de locatie van de hinderlaag lag. Van der Sloot kon door de schotwond in zijn been nog nauwelijks lopen en werd door Polman, afgewisseld door de Duitse onderofficier, gedeeltelijk gesteund en gedragen naar deze woning. De weg lag ook onder vuur van Nederlandse militairen. Bij aankomst bij de woning zochten zij daarachter dekking en werd Van der Sloot verbonden met een verbandpakket die door de Duitse onderofficier ter beschikking was gesteld. De wond zag er niet mooi uit, maar de kogel was niet in het been doorgedrongen en er slechts langs geschaafd. Na enige tijd bij deze woning van de politieagent te hebben doorgebracht werden zij door de Duitse militairen overgebracht naar een Duitse infanterie-eenheid. Tegen het invallen van de duisternis werd deze eenheid teruggenomen op de Duitse hoofdmacht. Na aankomst meldde Polman zich bij de generaal Von Sponeck. De nacht van 10 mei 1940 op 11 mei 1940 werd doorgebracht in de nabijheid van het landgoed Ockenrode. De militairen, zowel Duitse als Nederlandse werden ondergebracht in kuilen, gegraven in het zand. Bijna de hele nacht werden zij verontrust door mitrailleurvuur, geweervuur en door granaatwerpers. De Duitse militairen beantwoordden dit vuur alleen in het geval van uiterste noodzaak. Het aantal gevangenen, dat Polman bij zijn aankomst bij de Duitse Divisie-Staf aantrof, bedroeg ongeveer 50, waaronder 12 burgers. De gewonde Van der Sloot werd met 4 andere gewonden in een aparte kuil onderbracht in de directe nabijheid van een hulpverbandplaats.
In de ochtend van 11 mei 1940 veranderden de Duitse militairen hun opstelling omdat vuur van Nederlandse militairen dichterbij kwam. Men ging toen ongeveer 2 kilometer verder in zuidelijke richting het bos in. Hier werden direct nieuwe kuilen gegraven en ook de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen. De voorraad eten en munitie van de Duitsers was zeer gering, maar pas in de loop van de dag werden nieuwe voorraden, zowel voedsel als munitie, door vliegtuigen afgeworpen op punten in de directe nabijheid van de opstelling. Men bleef de hele dag op deze locatie. Im 21:45 werd volgens Polman de nachtmars ingezet en zonder een schot te lossen werd later Wateringen bereikt. In de loop van de ochtend van 12 mei 1940 probeerden Duitse militairen de gewonden terug te sturen naar de Nederlandse stellingen. Pas na onderhandelingen door parlementairen met witte vlaggen werd een overeenstemming bereikt. Er waren 5 gewonden, waaronder Van der Sloot. In het begin wilden de Duitse militairen Van der Sloot niet uitleveren omdat hij er intelligent uitzag en naar hun mening zeer veel gezien zou hebben. Op aandringen van Polman stemden de Duitse stafofficieren erin toe, dat Van der Sloot ook werd uitgeleverd. Tegen 12:00 uur werden de gewonden met draagbaren, gedragen door Nederlandse militairen en onder Duitse geleide, naar een vooraf bepaald punt gebracht op de weg naar Monster, om daarna door het Nederlandse Rode Kruis te worden opgehaald. De 12 burgers, die zich ook bij de gevangenen bevonden, werden pas tegen de avond ook naar de villa Ockenrode gebracht, waar zij weer in vrijheid werden gesteld.
Polman kwam overigens op 12 mei 1940 rond 04:30 in Wateringen aan. Ter hoogte van het raadhuis en de kerk, waar de weg door het dorp een bocht naar rechts maakte, kregen zij een vuuroverval van geweren, mitrailleurs en handgranaten. Een aantal Duitse militairen dwongen met het pistool verschillende gevangenen vooruit te gaan. Door protest van Polman en mede door het toedoen van de General-Stabs-Oberstleutant Ehrlich werden de Nederlandse gevangenen achter een stevige woning in veiligheid gebracht. Ondertussen werd op de Duitse militairen uit verschillende woningen en vooral uit een molen geschoten. Het oponthoud in Wateringen duurde volgens Polman ongeveer 2,5 uur. In die 2,5 uur werd het Nederlands vuur tot zwijgen gebracht, onder andere door middel van pantsermunitie, waarmee de molen werd beschoten. In Wateringen werden de VIOS-bussen gevorderd. Volgens Polman werden met de geweerkolven de ruiten eruitgeslagen en 4 bussen met ruim 100 personen werd naar Den Hoorn gereden, waar een voorlopige opstelling werd ingenomen. In Wateringen werden nog 2 Duitse burgers (een man en een vrouw) aangetroffen, die volgens hun verhaal vanaf 10 mei gevangen waren gehouden in het raadhuis. Volgens Polman werden zij door de Duitse militairen meegenomen en men om 19:30 Wateringen weer verliet. Een kilometer voor Den Hoorn werd de rust gecommandeerd. Tijdens deze rust ging Polman met een aantal Nederlandse militairen een Duitse Rittmeister naar Den Hoorn om te bevoorraden. Zo werd bij een bakker door hen het nog aanwezige brood in beslag genomen en de Rittmeister verstrekte in betaling Duitse 'Zahlungsscheine'. Nadat zij weer waren teruggekeerd besloot Von Sponeck de militairen in Den Hoorn te legeren. Onder veiligheidsmaatregelen werd de mars ingezet. Aangekomen bij de eerste woningen van Den Hoorn kreeg Von Sponeck het bericht dat Den Hoorn werd bezet door Nederlandse militairen vanuit Delft. De gevangenen werden toen op bevel van Von Sponeck onder leiding van Polman direct teruggevoerd en naar een boerderij gebracht op ongeveer 3 kilometer van de locatie waar zij zich toen bevonden. Daar kregen de gevangenen de gelegenheid om te rusten in een grote stal en werd ook het meegebrachte eten verdeeld. Om 15:00 uur kwam men bij een tweede grote boerderij aan, waar de hele colonne, inclusief de gevangenen, een rust van 4 uur kregen. Polman sliep toen ongeveer 4 uur in een bed in de boerderij. De gevangenen en de Duitse militairen, werden ondergebracht in de bijgebouwen. Ondertussen was ook voor eten gezorgd, dat gedeeltelijk was in beslag genomen en gedeeltelijk was afgeworpen uit vliegtuigen. Om 20:00 meldde Polman zich bij Von Sponeck, die hem meldde dat er om 21:45 zou worden afgemarcheerd. Om 21:45 volgde er een mars door het Westland, die voor zover Polman kon nagaan, hen via Kethel en Spaland in de nabijheid van Overschie bracht. Onderweg werden nog 4 burgers aangehouden en meegevoerd. Dichtbij Overschie probeerde 1 van deze burgers te ontsnappen door in het water te springen en werd direct neergeschoten. Bij de eerste woningen van Overschie werd halt gehouden en na een enig beraad besloot Von Sponeck de militairen te legeren in een aantal boerderijen en in de gebouwen van de NV Glimfabriek. De voorhoede werd voorbij de ophaalbrug ondergebracht en in de boerderij werd aan Polman een kamer toegewezen in de directe nabijheid van de Duitse officieren. De Nederlandse en de Duitse militairen werden ondergebracht in de verschillende gebouwen. Als gevolg van heftig Nederlands vuur moesten zowel de Duitse militairen als de gevangenen hun verblijfplaats op de zolder van de stallen van de boerderij weer verlaten. De gevangenen werden daarna opgesteld in een smalle gang, die gelegen was tussen 2 stallen. Polman bevond zich inmiddels bij een aantal Duitse officieren en hij kreeg toen de gelegenheid met behulp van een kijker de toestand te verkennen. Het bleek dat Nederlandse militairen met hun mitrailleurs een aanval op de Duitse stellingen uitvoerden. Rond 19:00 uur meldde Von Sponeck aan Polman dat hij artillerievuur verwachtte en gaf hem daarom de opdracht voor de gevangenen dekkingsloopgraven te maken, waarin zij konden schuilen als de artillerie daadwerkelijk tot een beschieting over zou gaan. Tegen 22:00 uur begon de Nederlandse artillerie te vuren. Von Sponeck oordeelde dat het raadzaam was de opstellingsplaats te verlaten en rond 22:15 werd weer afgemarcheerd met de gevangenen voorop. Ongeveer 1 kilometer verderop werd men gelegerd in de maalderij 'Ons Belang'. De Duitse hoofdwacht alsmede de Divisie-staf nam ook hun intrek dit gebouw. De overige Duitse militairen werden in Overschie gelegerd.
De volgende ochtend werd eerst een warm ontbijt genuttigd en aangezien er gebrek aan munitie was, wierpen vliegtuigen cilinders met munitie af. De ochtend werd gebruikt voor het foerageren. Dit werd uitgevoerd met behulp van wherry's en motorboten, die bij een werf aan de Schie lagen. Om 13:00 uur werd weer een maaltijd genuttigd. Tegen 16:00 uur werd Overschie plotseling door artillerie beschoten uit de richting van Delft. Het vuur was nauwkeurig gericht en een van de voltreffers kwam in de maalderij terecht, onder andere 2 op de verdieping waarop alle gevangenen zaten. Direct na het inslaan van de granaten werd de maalderij ontruimd. De gevangenen werden groepsgewijs in een looppas over een weiland geleid, al lag dit weiland ook onder granaatvuur. Polman en de overigen werden daarna overgebracht in een rij woningen aan de Delfshavensekade, die door de bewoners waren verlaten. De meeste woningen waren echter afgesloten, maar het was toch mogelijk zelf door de ramen te klimmen. In de namiddag vond volgens Polman het bombardement plaats, die zij vanuit Overschie konden zien. Het artillerievuur op Overschie hield aan, maar werd van noord naar zuid verlegd. Overschie lag ook nog steeds onder mitrailleurvuur. In de avond werd het bericht ontvangen dat Nederland de wapens had neergelegd en de daarop volgende nacht werd doorgebracht in de woningen aan de Delfshavenkade. In de loop van de avond werd nog een Nederlandse officier binnengebracht, die ook gevangen genomen was. Ook werden een aantal burgers gevangengenomen. In de loop van de volgende dag kwamen nog diverse andere officieren als gevangenen in Overschie aan. Von Sponeck had volgens Polman namelijk de order gegeven dat alle in Overschie passerende Nederlandse militairen moesten worden aangehouden. Op 15 mei 1940 gingen militairen weer terug naar de maalderij 'Ons Belang', maar de officieren bleven in een woning aan de Delfshavensekade, waar de nacht werd doorgebracht. De volgende ochtend werd de maalderij 'Ons Belang' en het daarbij behorende terrein door Nederlandse militairen schoongemaakt. Na de middagmaaltijd, rond 15:00 uur, liet Von Sponeck de militairen onder eigen geleide naar Rotterdam vertrekken. Op hetzelfde moment werden ook de Nederlandse officieren vrijgelaten. Polman werd door de zorg van Von Sponeck naar zijn woning in Den Haag gebracht. Hij bracht daar de nacht door en de volgende ochtend begaf hij zich met een auto, verstrekt door de Torengarage in Den Haag, naar het bureau van de Etappen- en Verkeersdienst (EVD) aan de Westerlaan 2 in Rotterdam. Volgens Polman was hier niemand aanwezig en hij vernam dat het bureau naar Amsterdam verplaatst was. Ook bleek dat hotel Royal aan de Witte de Withstraat, waar hij tot 10 mei 1940 verbleef, totaal vernield was. Al zijn particuliere bezittingen waren verloren gegaan.
Op 18 mei 1940 ging Polman met de auto naar Amsterdam en meldde zich daar aan de Voormalige Stadstimmertuinen 2 bij het bureau van de kapitein Wensink. Op maandag 20 mei 1940 ging Polman naar Loosduinen om daar te kijken wat er met gewonde militair Van der Sloot en met de gesneuvelden was gebeurd. Het lukte hem de verblijfsplaats van Van der Sloot te vinden. Hij trof hem in Monster aan, waar hij in het kantonnements-ziekenverblijf van het 1e Bataljon Regiment Jagers verbleef. Hij maakte het naar omstandigheden goed en Polman raadde hem aan zo spoedig mogelijk te vragen of hij terug kon keren naar zijn onderdeel, namelijk het Bureau van het Cantine Bedrijf. Bij een verder onderzoek vond Polman dat de chauffeur Schaap in Loosduinen begraven was geweest en zijn stoffelijk overschot daarna op de Algemene Begraafplaats in Den Haag was begraven. Polman kreeg een uittreksel van het register van deze begraafplaats en stelde de burgemeester van Delft daarna persoonlijk in kennis over het overlijden van Schaap. Het lukte hem ook om vast te stellen wat er met het stoffelijk overschot van Cartwright was gebeurd. Cartwright was ook op de Algemene Begraafplaats begraven, maar in een particulier graf. De legerauto, met nummer 7041, werd teruggevonden in de Fordgarage aan de Waldorpstraat in Den Haag. Tijdens de bezetting sloot hij zich niet bij een illegale organisatie aan, maar hij hielp wel veel Joden. Met ingang van 16 september 1948 werd hij benoemd tot reserve-kapitein, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1947 wat de bepaling dat de ancienniteit van zijn rang vanaf 1 januari 1947 werd berekend. Op 10 december 1948 werd hij nog ingedeeld bij het 11e Regiment Infanterie. Met ingang van 1 september 1949 werd aan hem eervol ontslag verleend. Joseph Joannes Antonius Polman overleed op 7 april 1969 in Amsterdam.