Vliegveld Ockenburg

Douglas Walter Child

Douglas Walter Child werd geboren op 23 december 1902 in Deal (Eastry district, Kent) als zoon van Walter Eli Child en Sarah Louise Spicer. In maart 1930 trouwde hij met Nora Edtih Cranwell. Zijn militaire carriere begon toen hij op 25 november 1936 in dienst ging bij de Royal Naval Volunteer Supplementary Reserve, welke verbonden was aan de Londense divisie van de Royal Naval Volunteer Reserve (RNVR). Op 8 december 1939 werd hij bevorderd tot Temporary Lieutenant. Hij diende op de HMS King Alfred bij het opleidingscentrum voor officieren van de Royal Navy in Hove, Sussex. Van 1939 tot 1940 diende hij als navigator aan boord van een bewapende trawler. Daarna werd hij vanaf januari 1940 werd hij voor een Special Duty gedetacheerd op het kantoor van de Consular Shipping Advisor op het Britse consulaat in Rotterdam. Medio april 1940 hadden de Britten als voorzorgsmaatregel 2 oude schepen van de Harwichlijn, eigendom van de London and North Eastern Railway Company, de Saint-Denis (2435 Brt) en de Malines (2980 Brt), naar Rotterdam gezonden. Constant onder stoom lagen deze schepen in de IJsselhaven, een van de kleinere havens tussen Rotterdam en Schiedam. De bedoeling was dat deze schepen het Britse consulaat-personeel en de in Rotterdam aanwezi­ge Britse burgers aan boord zouden nemen, wanneer Duitsland de oorlog aan Nederland zou verklaren met een daaropvolgende invasie. Child en zijn eveneens Britse collega namen op 10 mei niet deel aan de Britse evacuatie, maar stuitten in Rotterdam op een auto met hierin Nederlandse militairen en vroegen om een lift naar Den Haag. Vanaf Hoek van Holland werd vervolgens met omwegen naar Den Haag gereden.

Bij de commandopost van het 2e Luchtvaart Regiment Ve Groep (5-2-LvR) werd er door de reserve-eerste luitenant Polman, een van de inzittenden van deze auto, nagevraagd of Den Haag via de weg naar Loosduinen bereikbaar was. Door de Nederlandse militairen werd dit positief beantwoord maar zonder enige een garantie van de zijde van de betrokken officieren. Aan Cartwright en zijn collega werd een en ander medegedeeld en erop gewezen dat er in de directe omgeving misschien nog Duitse troepen waren achtergebleven of waren achtergelaten. Cartwright en zijn collega hadden echter haast om Den Haag te bereiken en op hun aandringen is men vervolgens toch richting Den Haag gereden. Ongeveer een kilometer voorbij de kliniek Bloemendaal kwam de auto in een hinderlaag van Duitse parachutisten, die de auto flink onder vuur namen. Als eerste slachtoffers van deze hinderlaag vielen Child en zijn collega Cartwright. Cartwright werd hier direct gedood en Child raakte zwaargewond. Polman constateerde dat een van de voeten van Child door het hevig vijandelijk vuur zo goed als afgeschoten was. Cartwright viel bovenop de reserve-eerste luitenant Polman en hij werd daardoor op de bodem van de auto gedrukt. Al liggende probeerde Polman met zijn zakdoek nog de voet van Child te verbinden. Ondertussen was de chauffeur uit de auto gesprongen en werd hij vermoedelijk, toen hij op de weg stond, dodelijk geraakt. Van der Sloot werd in zijn been geraakt en viel uit de auto. Polman evenals Van der Sloot werden vervolgens door de Duitse parachutisten direct als krijgsgevangenen meegenomen. Voor het vervoeren van 2 zwaargewonden (de beide Britse militairen Cartwright en Child) en een gewonde Nederlandse militair werd vanuit Loosduinen aan de GG&GD hulp gevraagd voor een geval van meerdere gewonden 'op de weg naar Ockenburg'. Door de GG&GD werd er een ambulance naar de naar de plaats van het incident gestuurd, waarna Cartwright en zijn collega Child met een ambulance naar het Rode Kruis Ziekenhuis aan de Sportlaan in Den Haag werden vervoerd. Cartwright overleed door meerdere schotwonden en een shock. Volgens de akte van aangifte van het overlijden van Cartwright overleed hij om 16:00 uur in het Rode Kruis Ziekenhuis. Volgens Child werd hij 4 uur nadat zij door de Duitse parachutisten waren aangevallen naar het ziekenhuis vervoerd. Terwijl hij in het ziekenhuis verbleef, werd hij meerdere malen door een SS-officier, die werd vergezeld door een Nederlandse vijfde-colonist, verhoord. Zij waren bijzonder geinteresseerd in de aard van zijn werkzaamheden en ook in de namen van zijn contacten en met name onder Nederlandse Joden. Volgens Child leken zij over de beide onderwerpen zeer slecht geinformeerd te zijn. Door de hinderlaag van de Duitse parachutisten raakte hij zodanig gewond dat hij een been verloor. Aanvankelijk werd hij door het personeel van het ziekenhuis 'verborgen' als een Nederlander, maar werd hij tegen eind augustus 1940 ontdekt. Begin november 1940 werd hij overgebracht naar de Alexanderplatz-gevangenis in Berlijn. Daar werd hij vele malen verhoord door de Geheime Staatspolizei (Gestapo). Deze verhoren vonden plaats in een kleine, fel verlichte kamer. Zijn ondervragers pasten geen speciale methoden toe, maar zij waren volgens Child duidelijk erop uit de namen te achterhalen van zijn contacten onder Nederlandse Joden. In januari 1941 werd hij uit de gevangenis vrijgelaten en mocht hij in het hotel Furstenhof in Berlijn verblijven. In mei 1941 werd hij overgebracht naar het hotel West End in Bad Neuenahr. In deze hotels bevonden zich een aantal burgergeinterneerden en diplomaten die op hun repatriering aan het wachten waren. Na zijn vrijlating uit de gevangenis werden geen pogingen ondernomen om hem te verhoren. In november 1942 werd hij naar Lissabon gestuurd, waar hij op 18 november 1942 arriveerde. Hier was hij werkzaam op het marineattache tot hij op 14 januari 1943 Lissabon per vliegtuig verliet en op dezelfde dag in Bristol aankwam. Van 14 januari 1943 tot april 1945 diende hij bij de Naval Intelligence Division (HMS President). Ook had Child te maken met Bureau Inlichtingen, waar hij betrokken was bij de opleiding van geheim agenten. Tegen het einde van 1943 werd hij nog bevorderd tot Lieutenant Commander. Na de oorlog werd hij bevorderd tot Temporary Lieutenant en Temporary Commander. Van april 1946 tot juli 1946 was hij Staff Officer (Security) to Commander-in-Chief in Minden. Zo inspecteerde hij in april 1946 het geallieerd krijgsgevangenenkamp 2226, waar Duitse krijgsgevangenen werden vastgehouden. Hij concludeerde daar dat de omstandigheden erbarmelijk waren.

Dankbetuiging
Bij het ordenen en beschrijven van het z.g. Londens-archief 1940-1945 werd een brief van de Britse ambassadeur aangetroffen, waarin de luitenant Child verzocht een dankbetuiging aan de Nederlandse regering en de chirurg van het Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag over te brengen voor de goede behandeling aldaar na een zware beenoperatie. Door de oorlogsomstandigheden werd dit minder geschikt geacht en ontstond er op 19 juli 1963 de vraag om dit na 20 jaar alsnog te doen. Op 9 april 1943 schreef Baron van Harinxma van de London Committee Of The Netherlands Red Cross Society aan de minister van Buitenlandse Zaken dat hij het niet uitgesloten achtte dat het doorgeven van de dankbetuiging van de luitenant Child via het Internationale Rode Kruis in Geneve voor de betrokkenen in Nederland moeilijkheden zou kunnen veroorzaken. Daarom meende hij er goed aan te doen hiervan af te zien. Overigens was het, naar zijn mening, oorspronkelijk de bedoeling van de luitenant Child om zijn dank aan de Nederlandse regering over te brengen. Hij vertrouwde dat na de oorlog de gelegenheid zou bestaan om de dank van de luitenant Child ook aan de genoemde personen over te brengen. Eerder, op 5 april 1943, stuurde de waarnemend chef van het kabinet aan Baron van Harinxma een uittreksel uit een brief van de luitenant Child. De chef van het kabinet liet het aan Baron van Harinxma over of er een aanleiding bestond het Nederlandse Rode Kruis, door bemiddeling van het Internationale Rode Kruis in Geneve, over deze dankbetuiging op de hoogte te stellen. Op dezelfde dag stuurde de chef van het kabinet namens de minister van Buitenlandse Zaken aan de Nederlandse ambassadeur in Londen ook een afschrift van de brief aan de voorzitter van de Londen Committee Of The Netherlands Red Cross Society. In de begeleidende brief schreef de chef van het kabinet dat de luitenant Child blijkbaar sinds de Duitse bezetting Nederland had verlaten, maar wist over de wijze van zijn vertrek uit Nederland geen bijzonderheden te vermelden. De Britse ambassadeur gaf aan dat er wel belangstelling zou bestaan voor meerdere bijzonderheden over de omstandigheden waaronder de luitenant Child naar Groot-Brittannie overkwam, in overweging dat contact met de luitenant Child zou worden gezocht door bemiddeling van de vice-admiraal King. Ook schreef hij dat wellicht de marineattache aanleiding kon vinden contact op te nemen met de luitenant Child. Ook al eerder, op 13 maart 1943, schreef de Britse ambassade voor Nederland in Londen aan Van Kleffens, de minister van Buitenlandse Zaken, dat hij zich wellicht herinnerde dat tijdens de strijd om Holland een auto met de Captain Cartwright en de Lieutenant Child van het British Shipping Office in Rotterdam door de Duitsers werd overvallen, terwijl zij onderweg waren van Rotterdam naar Den Haag. Captain Cartwright werd daarbij gedood, en Lieutenant Child raakte zo ernstig gewond dat een van zijn benen moest worden geamputeerd. Hij werd verzorgd in het Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag. Inmiddels was er een brief van hem ontvangen waarin hij zijn dankbaarheid en waardering uitsprak voor de zorg die hij van de medewerkers van het ziekenhuis ontvangen had. Het was voor de Britse ambassade dan ook een groot genoegen een uittreksel van die brief te kunnen bijvoegen. Het uittreksel van de brief van de Child van 3 maart 1943 is hier te lezen.

Onderscheidingen
Voor zijn diensten werd Douglas Walter Child zowel door Koning George van Engeland als door Koningin Wilhelmina onderscheiden. Op 10 juni 1948 ontving hij het Officer of the Order of the British Empire (OBE). Aan Nederlandse zijde werd door het Ministerie van Oorlog aan de minister van Buitenlandse Zaken schriftelijk gemeld dat voor de Britse militairen het agreement was verleend door de Engelse regering (War Office). Hierdoor verzocht de minister de aanbiedingsbrief aan Hare Majesteit de Koningin te willen mede-ondertekenen en met het ontwerp-besluit, met betrekking tot de benoeming van een aantal Britse officieren tot leden van Orde van Oranje Nassau, de versierselen te dragen met de zwaarden. In dezelfde brief werd aan de Koningin gemeld dat het agreement van de Britse autoriteiten is verkregen tot het aanvragen, waarvoor op 8 oktober 1945 bij het kabinetsbesluit (nummer 27) toestemming werd verleend. De minister verzocht de Koningin te besluiten de Britse officieren te benoemen tot lid van Orde van Oranje Nassau, in de klasse die achter hun namen was aangegeven en de versierselen te laten dragen met de zwaarden. In het overzicht staat Lieutenant-Commander D.W. Child vermeld. Op 27 april 1946 werd er op gemeenschappelijke voordracht van de ministers van Oorlog en van Buitenlandse Zaken van 8 april 1946 goedgevonden en verstaan dat de Lieutenant-Commander D.W. Child van de Britse Marine-Reserve te benoemen tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. In de ochtend van 4 april 1949 reikte de Britse ambassadeur in het gebouw van de ambassade aan een veertigtal Nederlanders en 2 Britten onderscheidingen uit voor hun tijdens de oorlog betoonde diensten ten behoeve van de geallieerden. Aan de Britse zijde werd ook Douglas Walter Child onderscheiden. Douglas Walter Child is te vinden in het inschrijvingsregister van de Orde van Oranje-Nassau onder nummer 7436 in het archief van de Kanselarij der Nederlandse Orden.

Yacht Holidays Ltd
Douglas Walter Child was ook algemeen directeur van het bedrijf "Yacht Holidays Ltd". Het bedrijf werd op 6 april 1936 opgericht en hield zich bezig met Rijnreizen per schip voor Britten, Canadezen, Amerikanen en personen uit vele andere Engelssprekende gebieden. Het hoofdkantoor was in Londen gevestigd (aan de Buckingham Palace Road 85), terwijl de uitvoering voor en vlak na de oorlog in handen was van het kantoor in Middelburg. Op 15 mei 1948 vond de eerste afvaart vanuit Maassluis plaats. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) observeerde Child een aantal malen. Het werd in juni 1949 door de Dienst bevreemd geacht dat een hoge Engelse marineofficier zich bezighield met het rondleiden van groepjes toeristen. In 1959 verhuisde de firma voor de uitvoering naar Schiedam en was gevestigd aan de Nieuwe Haven 97. Child, die met zijn gezin op een woonschip in de Nieuwe Haven woonde, ontsnapte in de nacht van 3 op 4 april 1959 aan de dood door een kolendampvergiftiging. Rond 03:00 uur werd hij wakker vanwege een hevige hoofdpijn en tot zijn ontsteltenis merkte hij dat zijn vrouw inmiddels het bewustzijn verloren had. Hij stond op en ontdekte dat dit gebeurd moest zijn door de ontwikkeling van kolendamp in de haard, die in een aangrenzend kamertje brandde. Hij bracht snel zijn vrouw en kinderen naar de keuken, waar zij pas tegen 07:30 bijkwamen dankzij frisse lucht door een open raam. Child had toen zijn vader gewaarschuwd, die ook op een schip naast hem woonde. Zijn vader waarschuwde een dokter, maar omdat het gevaar al voorbij was, was medische hulp gelukkig niet meer nodig. Child woonde later in de 'Tritonflat' aan de Havendijk 517 in Schiedam. Met ingang van 26 oktober 1967 trad hij uit als eigenaar, mede-eigenaar, vennoot en/of beherend vennoot van "Yacht Holidays Ltd". Op 28 oktober 1972 werd bekend dat de Holland River Line (HRL) de firma "Yacht Holidays Ltd" had overgenomen. Ook het hoofdkantoor in Londen alsmede het personeel gingen over naar Holland River Line. Het bijkantoor aan de Nieuwe Haven 97 werd met ingang van 31 december 1972 opgeheven.

Interview
Op 28 januari 1967 drukte "De Telegraaf" een interview af met Douglas Walter Child met de titel "De spionagechef van George Blake. Hij zat vol geldingsdrang". In een Schiedamse flat, waarvan de ramen een prachtig uitzicht boden op de druk bevaren Waterweg, vertelde commander Child (Order of the British Empire) over zijn lotgevallen in de oorlog en over zijn kennismaking met George Blake, een Britse spion van Nederlandse afkomst die als een dubbelspion voor de KGB werkte. In het interview vertelde Child dat hij voor de oorlog in Middelburg woonde, waar hij vakantiereizen per schip op de Rijn en ook andere waterwegen organiseerde. De Stoomvaartmaatschappij Zeeland bracht toen nog grote aantallen vakantiegangers naar Walcheren. Een dag voor de oorlog uitbrak werd hij als een reserve-officier van de marine opgeroepen in actieve dienst. Hij werd later in Rotterdam geplaatst. Op de tiende mei was hij in Hoek van Holland geweest om te kijken of de Britse torpedobootjagers gearriveerd waren voor de evacuatie van Britse burgers en vandaar moest hij naar Den Haag, samen met een collega-officier. Volgens Child waren zij beiden in burger en kregen een lift in een auto met Nederlandse officieren. Bij Loosduinen brak de hel los. Hun auto werd door Duitse parachutisten onder vuur genomen en in brand geschoten (later bleken er 178 kogelgaten in te zitten). De meeste inzittenden waren dood. Zelf was hij in zijn rechterbeen getroffen. De Duitsers bekommerden zich niet om de Nederlanders, maar haalden zijn collega en hem zorgzaam uit het autowrak en legden hen in het gras. Zij moesten gedacht hebben, dat zij gearresteerde NSB'ers waren, aldus Child. Child kwam dus in het Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag terecht, waar zijn rechterbeen werd geamputeerd. Om zijn nationaliteit geheim te houden schreef de staf op het naamkaartje op de deur een 'S' voor zijn naam; Schild is een Hollandse naam, is het niet ?' zei hij tijdens het interview. Maandenlang zocht de Gestapo het land af naar Child zonder dat hij gevonden werd. Een NSB'er en kennis van de Engelsman en diens Nederlandse secretaresse zond haar een grote bos bloemen, die bestemd waren voor de heer Child. Toen de jonge vrouw de bloemen opgetogen naar het Rode Kruis Ziekenhuis bracht, werd zij door Gestapo-agenten gevolgd. Dat was in augustus 1940. Child vertelde nog verder dat hij naar Duitsland werd getransporteerd, maar hij werd daar nimmer zwaar aan de tand gevoeld omdat hij officieel diplomatieke onschendbaarheid genoot. 'Ik was namelijk vice-consul', zei Child nog glimlachend. Zijn regering probeerde hem uitgewisseld te krijgen tegen een in Engeland gearresteerde Duitser. Dat lukte in 1942. Child vertelde dat hij via Koblenz en Parijs naar Lissabon gebracht werd, vanwaar hij gerepatrieerd zou worden. Hij moest echter in de Portugese hoofdstad nog 6 weken wachten, omdat de Duitser in Ierland de mazelen had gekregen. Child werd door zijn superieuren meteen weer ingeschakeld bij het intelligencewerk ("bijna uitsluitend bureauwerk"). In 1944 reisde de luitenant-ter-zee Child naar de marinebasis Rosyth, waar jongelui in opleiding waren voor reserve-officier voor de mijnenvegers. Hij wilde er een tolk zoeken, die goed Nederlands sprak. Daar ontmoette voor eerst van zijn leven George Blake. De rest van het interview in "De Telegraaf" ging over zijn ervaring met George Blake.

Overlijden
Douglas Walter Child overleed op 9 juni 1978 in het ziekenhuis van het district Hastings en Rother, Sussex.

This site was last modified on 12/03/2026 at 07:40. (c) Vliegveld-Ockenburg 2001-2026