Vliegveld Ockenburg

Van overwinnaars naar verliezers
door Anne Salomons
uit: Checkpoint nr. 4 / mei 2009

Om de koningin en het kabinet gevangen te kunnen nemen, lanceerden de Duitsers op 10 mei 1940 operatie Fall Gelb, waarbij voor het eerst in de moderne oorlogsvoering op grote schaal duizenden parachutisten werden ingezet. De vliegvelden Ypenburg, Valkenburg en Ockenburg behoorden tot de eerste aanvalsdoelen. Kees Oversier (88), vaandrig bij het garderegiment Grenadiers, vocht in de buurt van Ockenburg in Den Haag, waar het vliegveld op de Duitsers werd herveroverd.
 
Het was rond vier uur in de nacht van 9 op 10 mei dat honderden Duitse parachutisten rond vliegveld Ockenburg werden gedropt. Kees Oversier, die als 19-jarige vaandrig en sectiecommandant van de 1e compagnie van het 1e bataljon Grenadiers een paar kilometer ten noorden van het vliegveld gestationeerd was, vertelt dat zij volkomen verrast werden door de luchtlandingstroepen. “ We waren nooit opgeleid voor een aanval vanuit de lucht.”
 
Wakker geschud door het geluid van vliegtuigen had hij zich meteen gemeld bij de compagnie die aangevoerd werd door reserve-kapitein Muller Massis. “Munitie werd uitgedeeld en we maakten ons gereed voor de opmars naar de vijand. Waar die was, wisten we niet precies, maar we trokken op richting vliegveld Ockenburg bij Loosduinen. We moesten in ieder geval voorkomen dat de vijandelijke troepen konden oprukken naar het centrum van Den Haag. In die tijd waren de verbindingen heel slecht, er was weinig coördinatie, waardoor iedereen op eigen initiatief handelde, maar er ook veel moed getoond werd. Inzicht in de sterkte van de luchtlandingstroepen hadden we niet.”
 
Duits overwicht
Het vliegveld zelf werd bewaakt en verdedigd door de troepen van de 22e Depotcompagnie onder leiding van kapitein Boot. Oversier: “Dat waren zo’n kleine honderd man die net drie maanden in diensten waren. Die hebben heel moedig standgehouden en ons de gelegenheid gegeven om te mobiliseren en op te rukken.” Terwijl de depotroepen de Duitse parachutisten en vliegtuigen met geweren en haperende mitrailleurs bestookten, zag een aantal Duitse transporttoestellen toch snel kans om te landen, zodat er binnen de kortste tijd zo’n vierhonderd Duitsers op en rond het vliegveld geland waren die direct het vuur op de Nederlandse troepen openden. Dankzij hun overwicht wisten zij nog vroeg in de ochtend het vliegveld te veroveren. De depottroepen verloren bij deze aanval 24 man en er waren 13 gewonden. Het vliegveld was vanwege de beschietingen onklaar geraakt; het was één grote ravage met zo’n twintig vliegtuigwrakken die de landingsbaan versperden, waardoor verdere Duitse landingen onmogelijk waren. Onder leiding van generaal-luitenant Graf van Sponeck verspreidden de Duitsers zich toen in groepjes in de omliggende bossen. De Nederlandse troepen waren intussen al aan een omsingeling begonnen.
 
Vliegveld heroveren
Grenadiers en Jagers kregen al snel de opdracht om op te rukken naar het vliegveld om het te heroveren. Aan de noordzijde van Ockenburg was het 1e bataljon Grenadiers actief, ten zuid-westen van het vliegveld, bij Monster, lag het 1e bataljon Jagers. Ten oosten, bij Loosduinen lagen onder meer een Grenadierssectie van de 47e Mitrailleurcompagnie, de 47e PAG (pantserafweergeschut) en wat hulptroepen. De 1 compagnie Grenadiers, met onder anderen Oversier, rukte rond acht uur in de morgen van die 10e mei op richting Loosduinen en het vliegveld. “Burgers stonden ons langs de weg toe te juichen, blij dat we tegen de Duitsers gingen vechten. De munitieauto viel al spoedig in handen van de vijand en er waren veel schermutselingen met de Duitsers. In de buurt van Loosduinen werden wij zwaar onder vuur genomen, waarbij enkele soldaten sneuvelden en onze commandant Muller Massis gewond raakte. Het commando werd toen overgeheveld naar reserve 1e luitenant Verspyck Mijnssen en ik kreeg er een sectie bij. Nu had ik als 19-jarige jongeman opeens zestig man onder me, allemaal huisvaders met gezinnen die opgeroepen waren in de mobilisatie.”
 
Langzaam oprukken
Belangrijke toegangswegen tot het centrum van Den Haag en vliegveld Ockenburg waren door de Nederlandse troepen inmiddels geblokkeerd. “De Duitsers probeerden via de Laan van Meerdervoort het centrum te bereiken, maar dat is ze niet gelukt, want daar stuitten ze op de 2e en 3e compagnie Grenadiers. Richting Loosduinen hebben ze het ook geprobeerd en ook dat is ze dankzij de 1e compagnie Grenadiers niet gelukt. “Rond Loosduinen hielden de troepen stand en maakten zich op voor de nacht. “Waar we geslapen hebben, weet ik niet meer. Misschien hebben we helemaal niet geslapen. Het ging allemaal in een roes.”
Op de tweede dag, 11 mei, rukte Oversier met zijn twee secties heel langzaam op door de kassen richting Monster. “Uit tegenovergestelde richting was het bataljon Jagers inmiddels gearriveerd. Die Jagers leden grote verliezen, er waren veel gewonden en zo’n 13 manschappen zijn gesneuveld. “Ik heb die jongens later nog zien liggen. Ook vielen er verschillende burgerslachtoffers.” Inmiddels was het vliegveld Ockenburg met zware mortierbeschietingen en de inzet van onder meer de 2e en 3e compagnie Grenadiers op de Duitsers heroverd. De twee secties van Oversier kregen ’s avonds de opdracht om door te stoten en de Belvedère op Paalberg bij vliegveld Ockenburg, waar de Duitsers zich genesteld hadden, te veroveren.
“Dat was een moeilijk punt, de Jagers hadden er ook veel last van gehad, het lag hoog en het was enorm bebost. We werden met mitrailleurs onder vuur genomen, maar gelukkig niet zo lang, anders hadden we het niet overleefd. Toch is het met twee secties in marstempo gelukt. Zelf hebben we geen schot gelost. Ik had ook alleen maar een handwapen. We kregen daar ook nog mortiervuur van eigen troepen, omdat niemand wist dat we de Belvedère inmiddels ingenomen hadden. Toen moesten we een ordonnans terugsturen om te vertellen dat wij er al zaten. Daar zijn we ook bevoorraad en met één sectie hebben we daar de nacht doorgebracht.”
 
Kees Oversier op 88-jarige leeftijd. Foto: Brigit de RoijOorlog voorbij
De volgende dag, op 12 mei, kregen de Grenadiers opdracht om in samenwerking met de Jagers het hele bosrijke gebied rond Ockenburg te zuiveren. “Ik heb die Duitse parachutisten dood in de bomen zien hangen. Ook troffen we een aantal motorfietsjes aan, van die DKW’tjes, daar heb ik zelf nog op gereden. De Duitsers hadden van alles bij zich. Ik hoorde dat ze in een van de vliegtuigen zelfs een wit paard bij zich hadden om hun triomfantelijke intocht luister bij te zetten. Die dag zijn we ook nog door de bossen tot Monster verder getrokken, maar toen was voor ons de oorlog eigenlijk al voorbij. De valschermtroepen van Graf von Sponeck hadden zich gehergroepeerd en waren hier niet blijven hangen, maar richting Wateringen opgetrokken. Zij hebben daar behoorlijk gevochten. Onze taak zat er die derde dag wel op, totdat Rotterdam gebombardeerd werd en wij als overwinnaars tot verliezers werden verklaard. We hebben erom gehuild.”
In de Militaire Spectator van augustus 1941 wordt uitgebreid stilgestaan bij de gevechten rond Ockenburg. Ook rept het blad over de stoutmoedige bestorming van de Belvedere door Kees Oversier: ‘Genoemde vaandrig heeft zich hier zeer moedig gedragen en veel beleid getoond.’ “Voor deze moed ontving ik van mij koningin Wilhelmina het Bronzen Kruis, dat mij in 1946 in Indië werd uitgereikt.” Hier was hij sinds maart 1946, na een reis om de wereld, stafofficier en hoofd van de Gevechtsinlichtingendienst bij de Tijgerbrigade in Semarang en Salatiga. Maar het Bronzen Kruis is niet de enige onderscheiding die Oversier mocht ontvangen. Tijdens de oorlog was hij in Dordrecht actief in het verzet en herbergde hij onder anderen een Amerikaanse piloot, die later via de Biesbosch naar het bevrijdde zuiden kon vluchten. Oversier ontving daarom het Verzetsherdenkingskruis en zelfs een onderscheiding van generaal Eisenhouwer en de Engelse Air Chief Marshal.
Wanneer Oversier de oude stafkaarten van het Haagse duingebied en vliegveld Ockenburg opvouwt, zegt hij terug te zien op een spannende militaire episode uit zijn leven bij de Grenadiers, met als eindrang reserve-majoor. Maar als hij spreekt over die meidagen in 1940, het bombardement op Rotterdam en de daaropvolgende capitulatie, stokt zijn stem. Het blijft niet te verkroppen. Nooit.
This site was last modified on 08/06/2018 at 15:49. (c) Vliegveld-Ockenburg 2001-2018