Vliegveld Ockenburg

Slag om Den Haag bij Ockenburg
door H.B. Rubingh

Begin mei van het jaar 1939 moest ik me melden voor de militaire dienst in de Graaf Adolf van Nassaukazerne in Assen. We kregen hiervoor een gratis vervoersbewijs per trein die toen nog reed vanaf Veendam via Stadskanaal over Gasselternijveen, Rolde, Gieten, naar Assen. Het was de tweede keer dat ik in de trein zat, de eerste keer was ik elf jaar toen ik op een mooie Pinksterdag met mijn vader en broer Egbert naar Groningen ging om de Martinitoren te beklimmen. Dat ging echter niet door omdat de toren op Pinksteren was gesloten. Nadien is er nooit meer iets van gekomen. Maar nu de reis naar Assen, ik was 19 jaar oud.Bij elk station dat wij aandeden stapten weer jongens in, allen richting Assen. Het was die dag prachtig weer en dat was in ons voordeel, want wij werden verzameld op een groot grasveld, waar bij toerbeurt een naam werd opgeroepen. Dit duurde de hele middag, maar tegen de avond waren we allemaal geregistreerd en kregen we een strozak die we moesten vullen. Nadien kwamen we op een kamer en kregen we eten. Ik weet nog dat het van die lange tafels waren waar wij op banken kwamen te zitten met acht man om een tafel. We hadden allemaal een witte theedoek gekregen die we voor ons op de tafel moesten uitspreiden. Door ze naast elkaar te leggen ontstond er een mooi wit geheel, bijna zo mooi als een tafellaken. We kregen allemaal een warme prak, ik denk dat het rats was, in elk geval heel lekker. Later moesten we de strozak plat trappen en werden ons lakens en dekens uitgedeeld en zo was ons bed compleet. De volgende dag kregen weeen soort gevangenispak waar geen model aan zat en toen leken we allemaal op elkaar, we zaten dan ook allemaal in hetzelfde schuitje. Enige dagen later kregen we uniformen, leerden we groeten, bedden opmaken,wolletjes richten, kortom, we begonnen op echte soldaten te lijken. Ik kan niet zeggen dat ik de diensttijd als onprettig heb ervaren, integendeel. ‘s Avonds ging ik meestal naar het militair tehuis en zo gingen de dagen voorbij. Er was veel lol te beleven. Ik deed mee met alles wat mocht en wat niet mocht, wat ons soms op een strafexercitie midden in de nacht kwam te staan. Ook waren er soms onderlinge pesterijtjes, maar daar was ik niet zo vatbaar voor, want omdat ze mij gevraagd hadden de morgenwijding te doen kreeg ik een soort overwicht. ‘s Zaterdags waren we vrij en peddelden we van Assen naar Veendam, waardoor de verkering met Anna vaste vormen begon aan te nemen. Maar de tijden werden somberder. Hitler stond te brallen voor de radio en er kwamen vreemde berichten over vluchtende Joden uit Duitsland. Het rijksdaggebouw in Duitsland werd in brand gestoken en een zekere Van der Lubbe werd hiervoor in Duitsland opgehangen. De diensttijd werd met een half jaar verlengd en de broederdienst werd afgeschaft. In Assen waren nieuwe kazernes gebouwd maar ze zijn door ons nooit gebruikt, want in die tijd moesten de soldaten naar de grenzen om die te bewaken. In augustus 1939 werd de mobilisatie afgekondigd en werden wij overgeplaatst naar Bergen in Noord Holland. Ik was nog nooit zover van huis geweest, maar ik kon er wel tegen.

Dienstijd Bergen Noord-Holland
In Bergen aangekomen keken we wel eerst onze ogen uit. Het was een heel mondaine badplaats en we zagen vrouwen, in onze ogen al op leeftijd, in korte broekjes fietsen en op het strand brak je haast je nek over in onze ogen bijna blote vrouwen. Maar alles went. Ik had nog nooit de zee gezien en zag het dus voor het eerst in al zijn majesteit. Ik heb van een collega soldaat een zwembroek geleend en heb er direct in gezwommen. De smaak van het water viel tegen. Het duurde zes weken voor we weer met verlof mochten en ik was door de zeelucht en het goede eten in die zes weken 10 pond gegroeid en woog 156 pond. We kwamen in depot te liggen in een zaal van de ‘Rustenden Jager’. We lagen allemaal met het hoofd naar de muur en de voeten naar het middenpad. Maar aangezien ze ons niet allemaal konden plaatsen, werden er in het middenpad ook nog twee rijen gelegd, tussen de zweetvoeten van de anderen. We lagen in een depot waar ook soldaten waren die voor de mobilisatie waren opgeroepen en die tegen de 35 jaar liepen. Zij hadden al een beginnend buikje. Wij kregen een oude adjudant toegewezen die de Eerste Wereldoorlog had meegemaakt en die zou ons wel even drillen. Wij als jonge jongens waren wel wat gewend maar die kantoorheren, de zgn. ‘oude hap’ was niet meer gewend om te excerseren. Toen de adjudant ons dus de eerste dag had meegenomen voor een tippel van 10 kilometer, waren die oudjes bekaf. Ze hebben de adjudant ‘s avonds, toen we allemaal Haijo, rechtermotor achterop in de zaal lagen, en hij nog even kwam kijken, achterin de zaal gelokt. Toen hij ver genoeg de zaal in was hebben ze het licht uigedaan en hem vervolgens met schoenen en gevulde veldflessen bekogeld. En als hij over de benen strompelde werd hem ook nog een schop nagegeven in het duister. Wij hebben de man nooit weer gezien.

Nadien werden we overgeplaatst naar Loosduinen, maar eerst moesten we nog een dag en een nacht in Den Haag verblijven. Daar maakte ik zijdelings kennis met de zwarte kant van het leven. Wij hadden allemaal scherpe munitie meegekregen, maar de jongens wilden het donkere Den Haag eens meemaken. Ik heb toen aangeboden kamerwacht te blijven, terwijl de anderen sjouwden van kroegje naar kroegje. Ze kwamen allemaal lazerus thuis behalve een paar die naar de bioscoop waren geweest. Met die paar collega’s vingen wij de dronken mannen op, kleedden hen uit en legden ze in het stro, met een wasbak onder hun snuit. Dat was voor enkelen echter te laat, zodat de rode kool die ze ’s middags hadden gegeten er die avond weer uit kwam. De lucht laat zich raden. Een van die jongens, een niet al te snuggere veenkluit die wij altijd kapitein noemden, had zoveel drank gehad, dat hij slaags was geraakt met de militaire politie. Hij werd die avond geboeid thuisgebracht. De volgende morgen moesten we allemaal op het appèl verschijnen, waarna ze ons met getrokken pistool gingen fouilleren. Er kwamen heel wat messen tevoorschijn. De volgende dag was het zondag. Ik ben toen in Den Haag naar een kerk geweest. Het was een gigantisch grote kerk met zeker wel duizend mensen. Ik zat er midden tussen en heb me nog nooit zo eenzaam en verlaten gevoeld. De dag daarop werden we overgeplaatst naar Loosduinen. Dat was een uur lopen vanuit Den Haag en we waren bepakt met een grote plunjezak op onze nek. Was dat even puffen. In Loosduinen werden we ingekwartierd in scholen. Wij kwamen in de Julianaschool. We werden ingedeeld bij het korps Grenadiers, elitetroepen. De soldaten waren allen groter dan 1.75 meter. We mochten hun uniformen echter niet dragen, want zij hadden een rood biesje om hun kraag en wij een blauwe.
Eén van onze luitenanten was Baron Taats van Amerongen, een prachtkerel, een fantastische man, maar die helaas geplaagd werd door ischias. Wij hadden van die zgn. jeeps voor zes personen, met daarachter een kanonnetje. Het was de afdeling pantserafweer geschut, een nieuw stuk geschut, want voor de rest was het oude troep, dankzij het gebroken geweertje. De oefeningen waren een feest, want we reden overal heen om te oefenen. De luitenant had bedacht dat hij best wat hoornblazers kon gebruiken om de boel wat op te vrolijken. Zo werden er drie hoornblazers opgeleid, waaronder ik, door een lid van de Koninklijke Militaire Kapel. We hadden hoorns zonder ventielen en bliezen driestemmig de taptoes. Ik herinner me dat we een keer Utrecht binnenreden, voorop wij, zittend achterop drie motoren, daarachter de luitenant in een motor met zijspan, daarachter weer drie jeeps met kanon met elk zes man, en er tussenin motorordonnans, die voor ons de wegen afzetten als wij passeerden. Toen wij Utrecht binnenreden bliezen we op onze hoorns. Ik herinner mij dat dat machtig klonk tussen de muren van de oude binnenstad. Het had wel iets van de inneming van Jericho, zo stelde ik me dat op dat moment voor. Een grote oefening was bij de Harskamp, waar wij met echte kogels mochten schieten. We kregen per kanon zes kogels die in die tijd ƒ 30,- per stuk kostten. We mochten twee schoten doen op een vast doel, twee op een voorbijtrekkende nagemaakte tank en twee op een zigzagbewegende tank die door het terrein werd getrokken. We raakten niets, maar meer mocht niet dankzij het destijds gepropagandeerde gebroken geweertje. En met die rotzooi van wapens moesten wij de moffen tegenhouden. Terug naar Loosduinen kregen wij zoveel motorpech dat de bezemwagens zowat waren volgeladen met weigerende motoren. In die tijd leerde ik de familie Werkman kennen die mij uit de kerk in Loosduinen hebben meegenomen naar hun huis. De dominee had daar om verzocht. Ik was die zondag net jarig en heb er heel wat gezellige uurtjes doorgebracht. Er waren 5 kinderen van 4 tot 11 jaar oud, maar zoals zo vaak, in een groot gezin kan altijd meer. Ik heb er heel wat geschaakt, totdat ik het een keer van de baas heb gewonnen. Ze zijn later naar het noorden verhuisd naar huize Zonnehof en daar vandaan heeft mevrouw Werkman in 1981 een artikeltje geschreven in het Loosduins kerkblad. Later werd de toestand steeds grimmiger en kregen we ‘s nachts schijnoefeningen waarbij we niet wisten of het schijn of werkelijkheid was, maar toen het inderdaad werkelijkheid werd stonden wij in ons nachtgoed naar de luchtgevechten te kijken en meenden dat het een oefening was. Alleen het leger kwam uit de lucht vallen.

De slag om Den Haag
Onder deze titel werd er enige tijd geleden een documentaire uitgezonden over de aanval van de Duitsers op Den Haag. En hoewel ik nooit over mijn oorlogservaringen heb willen praten en dus altijd heb verdrongen, kon ik de drang die avond van de uitzending niet weerstaan om toch te gaan kijken. Kortgeleden had ik een boekje gekregen, waarin de slag om Ypenburg was beschreven. Daar heb ik ‘s nachts wel wat nachtmerries van gehad, maar ik heb me toch vermand om de film te gaan bekijken. De film was slecht en alleen wat commentaar van wat overgebleven ooggetuigen. Een paar soldaten en wat hogeren moesten het geheel wat verduidelijken. De film stond nog in de kinderschoenen, maar de massale luchtlandingstroepen lieten niets te raden over en ik was weer in gedachten terug in Loosduinen. De dagen voordat de oorlog uitbrak waren hectisch, er werden zomaar ‘s avonds lichtkogels afgeschoten en op basis van vrijwilligheid kon je meedoen om de oorzaak op te sporen. Er werden, zoals later bleek, door de N.S.B.-ers al loopgraven gemaakt om de Duitsers ter wille te zijn en er was veel verraad. Bij ons op de kamer was ook een N.S.B.-er die daar openlijk voor uitkwam. Hij was de motorordonnans van de luitenant, maar een grote verrader. Ik heb hem destijds betrapt op het kantoor van de luitenant waar hij zat te snuffelen en het heeft me jaren later nog geplaagd dat ik de wachtcommandant niet heb ingeschakeld. Maar je kon zelfs de commandanten niet meer vertrouwen. Wel heb ik de avond voor de inval van de Duitsers nog met hem geschaakt en achterna de conclusie getrokken dat hij er meer van af wist. Ik had me dan ook voorgenomen hem overhoop te schieten, maar hij was niet bij ons stuk ingedeeld. Dat is zijn geluk geweest en misschien ook wel de mijne. Ik zie nog zijn grijnzend gezicht toen de luitenant Baron Taats van Amerongen huilend afscheid van ons nam. Ik heb later nog naar die man gezocht en heb ook geprobeerd in contact te komen met de baron. Het één noch het ander is gelukt, maar het heeft me wel jaren beziggehouden. Die Bram Kemp woonde toen in Alphen a/d Rijn. We werden ‘s morgens om 6 uur gewekt, maar stonden voor die tijd al in ons ondergoed, naar de luchtgevechten te kijken. Later drong de ernst van de situatie tot ons door. We werden opgeroepen om ons gevechtsklaar te maken. Wij waren bij het pantserafweergeschut, dat dus ook snel in stelling werd gebracht, in de buurt van het vliegveld Ockenburg, dat zo groot was als een paar voetbalvelden. De vliegtuigen vlogen zo laag over ons heen dat wij ze in rechte stand konden aanschieten. Alleen onze kogels waren niet geschikt want die moesten eerst door een pantserplaat van 3,7 mm voordat ze ontploften. Dus schoten wij er gewoon ronde gaten in. Verder lagen wij op onze rug in het zand en schoten met onze geweren op de grote transportvliegtuigen die maar soldaten aanvoerden. De lucht was gewoon wit van de parachutisten. Later moesten we ons terugtrekken en gingen wij in stelling bij een verffabriek. Een vriend van me werd op een moment getroffen door een kogel, die door een vouw van zijn jas ging en er ook weer uitkwam. Hij zei toen te hopen dat hij dat nog eens aan zijn kleinkinderen kon laten zien. Helaas is dat niet geworden. Hij is in het verzet gefusilleerd.

Later ben ik met een luitenant bovenop een flat geweest, want we werden steeds door tegenvuur gestoord. We hadden een mooi uitzicht op het terrein voor ons. In de verte zagen we soldaten lopen. De luitenant keek met zijn verrekijker wat voor helmen ze droegen. Het waren Duitsers en op zijn bevel schoot ik ze neer. Of ze geraakt zijn of gedood weet ik niet, maar ik heb er nooit gewetenswroeging over gehad. De ruiten sprongen door hettegenvuur, zodat we genoodzaakt waren om ons terug te trekken. ‘s Avonds bleek dat het hele vliegveldje van Ockenburg vol lag met kapot geschoten vliegtuigen zodat de paratroepen niet meer konden landen. Maar ze werden nog steeds door Duitsland aangevoerd en dus werden ze door heel Loosduinen en omgeving gedropt. Zo kwam de vijand dus van alle kanten. Onze plaats bij de verffabriek werd daarom onhoudbaar, want wij werden toen bestookt met handgranaten die de Duitsers in hun laarzen droegen, er zat een houten steeltje aan. We verlieten onze plaats en werden gelegerd op de doorgaande weg van Den Haag naar Loosduinen. Aangezien wij geen kanon meer hadden, dat was kapotgeschoten, moesten we langs de weg schuttersputjes graven. ‘s Nachts bivakkeerden we in het huis van Dr. Oeseburg, een man met 14 kinderen, die echter allemaal al uit huis waren. Maar hij bezat nog wel een broodmachine en dat was wel handig. We waren met een groepje van zo’n man of tien, twaalf. We sliepen die nacht in de garage en in de wachtkamer, maar die werd ook nogal vol dus ging ik in de spreekkamer liggen. De volgende dag bleek dat ze me de hele nacht hadden gezocht, maar niet konden vinden, want wij moesten om toerbeurt op wacht staan. Het slapen in de spreekkamer werd uitgelegd als opzet, dus moest ik voor straf de volgende nacht een dubbele wacht draaien en wel in mijn eentje gedurende vier uren. Ik stond op een stoel, kijkend over een muur, in de tuin van de dokter, die vol met coniferen stond. Die coniferen leken midden in de nacht allemaal op Duitse para’s die naderbij slopen. Het zijn de benauwdste vier uren van mijn leven geweest. Normaal mag dat in oorlogstijd niet, men moet altijd minstens met twee man zijn, maar schijnbaar is in oorlog alles mogelijk. De daaropvolgende dag moesten we alle voorbijgangers controleren op papieren e.d. Het waren meest mensen van hoger komaf die via Hoek van Holland naar Engeland vluchtten. Volgens zeggen is Wilhelmina daar ook gepasseerd, maar ik heb haar niet gezien.

Vervolgens werden we weer verplaatst naar de verkeersweg Rotterdam op een driesprong. We waren net een Gideonsbende geworden, omdat wij ons kanon mistten. We werden nu ingedeeld bij de afdeling cavalerie. Op die driesprong stond een prachtige villa waar wij om water vroegen. Er werd een emmer met water buiten gezet, met een emaille beker. De cavalerie commandant schoot dit in het verkeerde keelgat en hij vorderde het hele huis. Binnen drie uur moesten ze vertrokken zijn. Binnen de kortste tijd liep een spoor van paardenmest over hun marmeren vloer. Er bleek ook nog een bad in te zitten en aangezien wij in drie dagen niet uit de kleren waren geweest namen we allemaal een bad. Er waren kasten vol ondergoed, dus ieder zocht zich wat schoon ondergoed en het vuile bleef in de badkamer achter. Er was echter niet genoeg herenondergoed, dus liepen sommige soldaten in een dames pyjama met het kraagje er bovenuit. Men ging er vanuit dat het huis toch in brand zou worden gestoken. Onze sergeant heeft echter een kast met zilverspul opengebroken en zich hiermee verrijkt. Dit was laag bij de grond. Uit dit huis komt ook het versje dat ik vroeger altijd in het Poëzie-album van de kinderen schreef. Het huis is blijven staan, want die dag werd Rotterdam gebombardeerd, uit wraak van de Duitsers omdat een groot gedeelte van hun elitetroepen waren gesneuveld. En dat er zoveel vliegtuigen waren vernield. Dus werd de overgave afgekondigd en moesten wij onze wapens inleveren. Ik heb eigenhandig de drankvoorraad van het gevorderd huis tegen de muur stukgeslagen omdat ik bang was voor brokken. De mensen van dat huis bleken pro Duits te zijn en hebben hun klacht ingediend bij de Duitsers. Het meeste hebben ze dan ook teruggekregen. Na de capitulatie moesten we munitie sorteren en op wacht staan voor oproer. De soldaten, Nederlanders en Duitsers, werden weer opgegraven, want die hadden ze provisorisch begraven op een voetbalveldje bij de school. Ik heb daar niet aan meegedaan maar ik moest wel de familie tegenhouden die naar hun overledenen wilden kijken. Het was iets verschrikkelijks. Na enkele dagen mochten we naar huis. Dat was ook een opgave. De treinen reden zonder ramen, de rails waren hier en daar opgebroken, af en toe moesten we de trein uit en lopend verder. Ik herinner me nog dat een burgerman met een fiets mij hielp met de bagage. Dat zette hij achter op zijn fiets. Hij vertelde me dat hij dat al de hele dag had gedaan. En “ik hoop”, zei hij, “dat als mijn zoon hier of daar ook moet lopen, anderen hetzelfde zullen doen”. Hij wist toen nog niet of zijn zoon nog leefde, ik hoop van wel. Thuisgekomen waren ze en vooral Anna, blij dat ik het had overleefd. Maar ik kon mijn tranen niet kwijt, ik lachte alleen maar. Want ze begrepen niet wat ik allemaal had meegemaakt. In het Noorden was niets gebeurd, behalve dat ze een paar bruggen hadden laten springen, zodat bij mijn ouders de ramen waren gesprongen. Maar dat was gauw hersteld en er was geen soldaat te bekennen. Wel moest ik zo gauw mogelijk weer aan het werk, want er moest weer geld worden verdiend. Bijkomen was er niet bij en ook niet uithuilen en opnieuw beginnen, maar ik was wel blij dat Anna er was en haar blijdschap vergoedde veel. Want zij had van mij, na 10 mei, alleen maar een soort afscheidsbrief gekregen. Na bijna 65 jaar heb ik het trauma verwerkt door het van me af te schrijven. Dit heb ik gedaan door er een verhaal over te schrijven voor de schriefwedstried waar ik al enige jaren aan deelneem.

This site was last modified on 09/07/2018 at 11:30. (c) Vliegveld-Ockenburg 2001-2018