Vliegveld Ockenburg

Gevechtshandelingen rond het vliegveld "ockenburg"
door L. Hemelaar
22 Depot Bat. 4 Comp 2 Sectie, Leiden

In de vroegen morgen van den 10den Mei 1940 stond ondergeteekende op het Vliegveld 'Ockenburg' , toen wij werden bestookt door Duitsche vliegtuigen. Wij stonden onder commando van Serg. Gredanus. Deze gaf bevel 'mitrailleur op luchtdoelen.' Onze bewapening was lichte mitrailleurs. Na misschien 15 minuten op luchtdoelen geschoten te hebben kregen wij orders voor het nemen van stelling. De stelling, die ik bijelkaar kon slepen was : 2 steenblokken van circa 40 cM. Vierkant. Ik ging daar met mijn mitrailleur achter. Nu was het wachten op het landen van de vliegtuigen. En daar kwamen zij, groote, grove toestellen, die wij me onze lichte wapens moesten bestoken. De eerste trommel vuurde goed, maar de tweede trommel kreeg haperingen, er bleef een patroon vast in de kamer zitten. Met de patronentang haalde ik hem eruit en probeerde het opnieuw. Dit gebeurde zoo viermaal. Toen hadden de Duitschers ons in de gaten en kregen wij de volle lading; het kostte mijn helper het leven. Ik duwde mijn mitrailleur over de steenen heen en dook achter de blokken weg. Kuster, die 8 Meter achter mij lag, was nog flink aan het sputteren en schoot over mij heen en door mijn mitrailleur, totdat hij door warmlopen het vuren moest staken. Waar hij toen gebleven is weet ik niet.

Enkele oogenblikken later werd ik met het commando "aufstehen" gevangen genomen en weggevoerd, naar de barakken, waar wij hadden geslapen. Wij werden er bijeengedreven. Onder meer waren daar aanwezig Serg. Reus en Korp. Timan, Korp. Joosten † en nog wat manschappen en eenigezwaargewonden. Toen wij daar eenige oogenblikken zaten kregen wij granaatvuur, waarschijnlijk uit Wateringen. Dit ging een oogenblik goed, totdat een granaat in het dak sloeg en Korp. Joosen daar de volle lading van kreeg. Het kostte hem het leven. Er kwam nu een Duitsch Roode Kruisofficier, die 4 vrijwilligers vroeg om de gewonden weg te halen. Hiervoor meldden zich Serg. Reus, Korp. Timan, soldaat Goethe en ondergetekeende. Wij kregen met zijn tweeën een draagbaar en moesten hierop Hollanders en Duitschers weghalen, die gewond waren.

200 Meter van het veld vandaan was een heuvel en daarachter lag een stukje boschgrond van circa 300 vierkante meter. Hier stond een groote villa, die geheel ontruimd werd en waarin alle gewonden werden gebracht. Wij hadden er al enkele binnengebracht toen er een officier naar ons toekwam en Korp. Timan en mij meenam. Hij bracht ons bij het lichaam van Kapt. Boot † en wij moesten zien of deze geen papieren bij zich had. Alles wat onze Kapt. Bij zich had deed hij in zijn zak. Hierna moesten wij het lichaam begraven. Wij hebben den Kapt. netjes begraven, de klewang en de helm op de borst en zakdoek over het gelaat. Korp. Timan vouwde de handen en sprak een gebed. De Duitsche officier sprong in de houding en gelastte ons dit ook te doen. Hierna moesten wij de put dicht maken. Het was vreeslijk een mensch zoo te moeten begraven.

Wij moesten nu naar de villa terug. De Roode Kruisofficier zat nu erg in de war, vanwege het granaatvuur, dat nog steeds doorging en stelselmatig werd verlegen. Het kwam al dichter en dichter bij de villa. Hij wilde nu, dat een van ons door het vuren heen de Hollanders ging waarschuwen om het vuur te staken, aangezien het op een lazareth aan het vuren was. Ik was de uitverkorene. Ik kreeg een witte lamp, die ik aan een stok bond. Zoo ging ik op weg. Ik moest eerst door de Duitsche linie heen. Dit was niet zoo gemakkelijk. Dit bleek al spoedig. Toen ik namelijk een eindje geloopen had werd ik door een Duitsch officier tegengehouden. Deze haalde een revolver voor den dag, die hij mij op de borst zette en eenige woorden bralde, die ik in die dagen nog niet verstond. Hij nam mij mede naar den Roode Kruisofficier, die hem duidelijk maakte wat de bedoeling was. Hierop mocht ik weer verder gaan. Ik ging toen een smal pad af, dat aan het einde breeder werd. Aan weerszijden van het pad lagen veel gewonden en dooden en er zat ook een burger, die een dokter bleek te zijn. Ik sprak den dokter aan en vroeg hem of de auto, die aan het einde van het pad stond van hem was . Ja, antwoordde hij. Ik sprak nu met hem af, dat hij den wagen zou rijden en ik, staande op de treeplank, de witte lap zou zwaaien. Het lukte ons Loosduinen te bereiken, waar wij door Hollandse militairen werden aangehouden. Ik werd direct naar het Commando gebracht, waar ik een verslag moest doen van den toestand op het vliegveld en van hetgeen mij verder was overkomen. Ik kon een goed verslag geven, want ik was met halen van de gewonden overal bij geweest.

Na het verslag werd ik met een auto naar een lokaal gebracht op de Mient, waar ik eten en onderdak kreeg. In den middag kwamen de andere jongens van Ockenburg, die inmiddels waren bevrijd. Wij hebben daar toen de nacht doorgebracht en den anderen morgen gingen wij met een bus terug naar Ockenburg om onze uitrusting op te halen. De barak, waar ik geslapen had, was afgebrand en er was niets meer van mij. Toen ik het veld overkeek zag ik een wachtmeester, die met de motoren bezig was, welke de Duitschers hadden achtergelaten. Toen ik even bij de den wachtmeester had gekeken, probeerde ik het ook met een motor en het gelukte mij in een paar minuten het veld rond te rijden. De wachtmeester vroeg mij, de goede motoren, die erbij waren in de auto te zetten en spoedig hadden wij een goed stelletje bijelkaar. De wachtmeester stapte in de auto, reed weg en ik volgde op den motor. Zoo kwamen wij in de laan van Poot, waar ik mij weer moest melden bij een kapitein, die mij verder naar het een en ander vroeg. Hij gelastte mij mij weder van een helm en wapens te voorzien, hetgeen geschiedde. Bovendien kreeg ik een karabij en een hand patronen en een pistool. Ik mocht een motor uitzoeken, waarmede ik wat moest rondrijden voor de veiligheid. Het was toen Zaterdag en heb tot 12 uur rondgereden.

Daarna ben ik maar ineens dwars door den Haag naar Leiden gereden waar ik mij meldde op het Bat. Bureau. Ik ontmoette daar luitenant Rodemont, die zich op Vrijdag had overgegeven met 11 man, het overschot van de 4de Compagnie. Hij vloog mij om den hals en vroeg mij honderd uit. Na een ander te hebben gepraat en mij belevenissen te hebben verteld kwamen wij tot de conclusie, dat er nog circa 35 man in leven waren. Ik zei, dat ik terug moest naar den Haag maar daar kwam niets van in, ik moest in Leiden blijven. Ik was de eenigste, die in het bezit van een motor was en werd nu gelijk tot ordonnans gepromoveerd. Ik kreeg een rood, wit en blauw en een oranje band om mijn arm en moest mij ter beschikking van den commandant houden. Ik heb toen ook nog eenige dingen beleefd, wlke echter niet de moeite waard zijn hier nog eens te herhalen.


Ik hoop, dat deze beschrijving den Heeren goeddunkt en blijf, in afwachting van nader bericht.

Met de meest hoogachting,

Soldaat L. Hemelaar
22 Depot Bat.
4 Comp. 2 Sectie
Leiden

This site was last modified on 22/10/2018 at 15:02. (c) Vliegveld-Ockenburg 2001-2018